Weldoende betekenis & definitie

Weldoende ging hij rond of door een bepaald gebied, hij reisde rond of ergens doorheen en deed goede dingen.

In het eerste nieuwtestamentische bijbelboek na de vier evangeliën, de Handelingen van de Apostelen, wordt verteld hoe door Jezus’ volgelingen een begin gemaakt werd met de verbreiding van het christendom ook onder niet-joden. Een Romeins centurion, Cornelius, zocht contact met Simon Petrus om meer over Jezus en zijn leer te weten te komen. Bij die gelegenheid zei Petrus over Jezus onder meer tot Cornelius: ‘Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem’ (Handelingen 10:38, NBG-vertaling; in de NBV begint deze zin met ‘Hij trok als een weldoener door het land’).

Bijbelcitaat: Leuvense Bijbel (1548), Handelingen 10:38. Hoe dat Godt Jesum van Nazareth, ghesalft heeft metten heylighen gheest, ende met die cracht, die welcke is doerghegaen weldoende, ende ghenesende alle die verdruct waren vanden duyvel. (Statenvertaling (1637): goet doende.)

Gebruiksvoorbeeld: Minister Pronk [van Ontwikkelingssamenwerking], die al weldoende over de wereld gaat, heeft daar waar niemand crepeert, uiteraard niets te zoeken. (NRC, mei 1994)

Gebruiksvoorbeeld: Bij de loopbrug hield een berooide kerel een plastieken bekertje op. Een Roemeen of zo, dacht ik. Meestal zitten mijn munten te ver weg in mijn boekentas, maar nu was dat geen bezwaar. Ik gooide er met gulle hand een paar in zijn bekertje. Zo ging ik al weldoende door de stad. (De Standaard, okt. 1995)

Gepubliceerd op 11-05-2017