Uitverkoren betekenis & definitie

Uitverkoren, door God uitgekozen voor iets dat positief gewaardeerd wordt; door een hogere macht voorbestemd iets te doen wat men niet op eigen kracht had gekund; aangewezen of uitgekozen voor iets begerenswaardigs (zie ook volk).

Uitverkorene, uitverkoren persoon.

In de bijbel noemt God het volk Israël zijn uitverkoren volk, en zegt hij dat mannen als Jakob en Mozes uitverkorenen van hem zijn. Vgl. Jesaja 42:1, ‘Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen, / hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde, / ik heb hem met mijn geest vervuld. / Hij zal alle volken het recht doen kennen’ (NBV). In het Nieuwe Testament wordt Jezus Gods ‘uitverkorene’ genoemd (Lucas 23:35, NBV). In het moderne Nederlands hoeft God niet degene te zijn die iemand uitverkiest; dat kan ook gedaan worden door een abstract voorgestelde hogere macht, het ‘lot’, bijvoorbeeld.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Jesaja 42:1. Siet mijn knecht ic sal op hem stuenen, mine wtuercorene, behaechlicheit mijnder sielen, ick heb mijnen geest op hem ghegheuen, hi sal den heyden oordeelen voortbringhen. (Statenvertaling (1637): mijn uytverkoren.)

Gebruiksvoorbeeld: ‘Wij mogen bruidsmeisjes zijn als onze tante trouwt.’ ‘Zo, dus jullie zijn de uitverkorenen?’ (Gehoord, jaren ’50)

Gebruiksvoorbeeld: Roomse en gereformeerde jeugd / deden velen pijn. / God is weg, er bleef één deugd: / Het uitverkoren zijn. (S. Gaaikema, Hoogachtend Seth, 1985, p. 144)

Gebruiksvoorbeeld: Te weten, dat je op de een of andere manier uitverkoren was: bouwer van moderne kunst misschien. (T. Hilberink, Cycli. Geschiedenis van de familie Burger (1840-1945), 1992, p. 87)

Gepubliceerd op 11-05-2017