Uitvaagsel betekenis & definitie

Uitvaagsel, vuilnis; (fig.) uitschot, tuig, minderwaardig slag mens, gespuis.

In Klaagliederen 3:45 verwijt de schrijver God: ‘Gij hebt ons gemaakt tot verachtelijk uitvaagsel te midden van de volkeren’ (NBG-vertaling; de NBV heeft: ‘U maakt ons tot schuim en uitschot te midden van de volken’). In de grote hoeveelheid woorden voor minder gewaardeerde mensen neemt uitvaagsel nog maar een kleine plaats in. Dit figuurlijke gebruik van uitvaagsel is voor het eerst in bijbelse en daaraan verwante teksten aangetroffen. In de NBV komt het woord uitvaagsel alleen nog voor in 1 Korintiërs 4:13.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Klaagliederen 3:45. Ghy hebt ons tot een uytvaegsel, ende wech-werpsel gestelt, in ’t midden der volckeren.

Gebruiksvoorbeeld: Maar als de keizerin al zo’n misdadigster was, hoe zal het dan gesteld zijn geweest met het uitvaagsel waarmee rechter Tie geregeld te maken had? (Rotterdams Nieuwsblad, 29-2-1964)

Gebruiksvoorbeeld: Dat er geen groter uitvaagsel is dan de mens, wordt dezer dagen steeds weer bewezen door diverse gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld door de recente misdaden in voormalig Joegoslavië. (NRC, apr. 1994)

Gepubliceerd op 11-05-2017