2019-10-22

Uitvaagsel

Uitvaagsel, vuilnis; (fig.) uitschot, tuig, minderwaardig slag mens, gespuis. In Klaagliederen 3:45 verwijt de schrijver God: ‘Gij hebt ons gemaakt tot verachtelijk uitvaagsel te midden van de volkeren’ (NBG-vertaling; de NBV heeft: ‘U maakt ons tot schuim en uitschot te midden van de volken’). In de grote hoeveelheid woorden voor minder gewaardeerde mensen neemt uitvaagsel nog maar een kleine plaats in. Dit figuurlijke gebruik van uitvaagsel is voor het eerst in bijbelse en daaraan verw...

2019-10-22

UITVAAGSEL

UITVAAGSEL - o. (-s), wat weggeveegd kan worden of is; (fig.) lage, slechte menschen: het uitvaagsel der menschen, de heffe des volks.

2019-10-22

Uitvaagsel

zie Uitschot.