Wat is de betekenis van Uitvaagsel?

2020
2021-10-16
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

uitvaagsel

(17e eeuw, vero.) verzamelterm voor minderwaardige, verachtelijke mensen. Letterlijk: dat wat weggeveegd moet worden. Syn.: geteisem*. schorremorrie*, tuig* van de richel. • Terwyl werelt en hel tegens dien Gekruisten Godt met zwaart en wetten woeden en razen, terwyl zyne kruisgezanten, verachte visschers, het schandaal en de vloek van Joden e...

Lees verder
2007
2021-10-16
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

uitvaagsel

slecht, gemeen volk. De aangesprokene wordt vergeleken met datgene wat wordt weggeveegd: het vuile stof. Ben ik te beschuldigen dat ik een nagt logement gaf aan myne vriendin, in zulke occasie? Verdien ik voor het uitvaagsel der natuur uitgemaakt te worden, omdat ik met geld, raad, in persoon haar, mijne vriendin, die verongelykt wierd, hielp? (Bet...

Lees verder
2000
2021-10-16
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Uitvaagsel

Uitvaagsel, vuilnis; (fig.) uitschot, tuig, minderwaardig slag mens, gespuis. In Klaagliederen 3:45 verwijt de schrijver God: ‘Gij hebt ons gemaakt tot verachtelijk uitvaagsel te midden van de volkeren’ (NBG-vertaling; de NBV heeft: ‘U maakt ons tot schuim en uitschot te midden van de volken’). In de grote hoeveelheid woorden voor minder gewaardeer...

Lees verder
1973
2021-10-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

uitvaagsel

o., (alleen fig.) het volstrekt minderwaardige, het schuim, het uitschot.

1952
2021-10-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Uitvaagsel

s.n., útskaeisel (it), útskot (it), útfaechsel (it).

1950
2021-10-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Uitvaagsel

o., eig. wat uitgeveegd is, alleen fig., het volstrekt minderwaardige, het schuim, het uitschot, de heffe, de gemeenste troep : de W.A. en de landwacht werden gevormd door het uitvaagsel van het volk; het uitvaagsel der maatschappij.

1898
2021-10-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

UITVAAGSEL

UITVAAGSEL - o. (-s), wat weggeveegd kan worden of is; (fig.) lage, slechte menschen: het uitvaagsel der menschen, de heffe des volks.

1898
2021-10-16
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Uitvaagsel

zie Uitschot.