Tomas betekenis & definitie

Tomas, discipel van Jezus die niet in Jezus’ opstanding wilde geloven totdat hij hem met eigen ogen gezien zou hebben.

Ongelovige Tomas, iemand die iets pas gelooft als hij het zelf ziet.

‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven’ (Johannes 20:25, NBV). Zo reageert de discipel Tomas op de mededeling van de andere discipelen dat Jezus is opgestaan uit de dood en aan hen verschenen is. Gelukkig kan Jezus Tomas later zelf overtuigen, waarbij hij nog zegt: ‘Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven’ (Johannes 20:29, NBV)De uitdrukking wordt nog zeer frequent gebruikt.

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 26940-45. Thomas hi ne ghelouets niet. / Hi seit he[n] si dat hi ziet. / Hande ende voete ghesleghen duere. / Ende tgat in sine ziede ter cuere. / Ende hire sinen vingher in steke. / Hi ne ghelouets niet sekerleke. (Tomas geloofde het niet. Hij zei dat hij het niet voor waar zou aannemen tenzij hij zijn doorboorde handen en voeten zou zien en het gat in zijn zijde en hij daar zijn vinger in zou steken.)

Gebruiksvoorbeeld: Vroeger werd ik ‘de ongelovige Thomas’ genoemd. Ik mag graag alles in twijfel trekken. (D66-leider Thom de Graaf in De Volkskrant, 14-11-1998, p. 17)

Gebruiksvoorbeeld: Maarten heeft zeker iets van de ongelovige Thomas. (J.J. Voskuil in het VPRO-Radioprogramma De Avonden, 22-2-1999)

Gebruiksvoorbeeld: Het lijkt me meer iets voor mensen die een orgaan missen voor het mysterie in de zichtbare werkelijkheid, misschien omdat die zich nooit anders aan ze wil voordoen dan als een spiegel van hun eigen geborneerdheid. Ongelovige Thomassen die niets willen aannemen van wat ze toch met eigen ogen kunnen zien. (A.F.Th. van der Heijden, De sandwich. Een requiem, 1989, p. 39)

Gepubliceerd op 11-05-2017