Tollenaar betekenis & definitie

Tollenaar, belastinginner voor de Romeinen; (fig.) meestal onsympathieke, oneerlijke belastingambtenaar.

Tollenaars hadden geen gunstige reputatie ten tijde van Jezus. Ze zouden in hun belastingwerk voor de Romeinen oneerlijk te werk gaan en werden daarom in één adem met andere zondaars genoemd: ‘De Farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar”’ (Lucas 18:11, NBV). Gebruik van dit woord in het hedendaags taalgebruik voor bijvoorbeeld een belastingambtenaar heeft gewoonlijk de bedoeling die persoon van oneerlijkheid te betichten.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Lucas 18:11. Die phariseeus stont, ende badt bi hem seluen aldus, Ic dancke di god, dat ic niet en ben gelijc ander lieden, roouers, onrechtuerdige, ouerspeelders, of ooc gelijc deze tollenaer.

Gebruiksvoorbeeld: Maar één moedige daad wil ik hier toch niet onvermeld laten, met uiterste krachtinspanning draaide ik mijn hoofd om en schalde achter mij: ‘Heer tollenaar!... wij zien elkander weder!!...’ (W. Brakman, De reis van de douanier naar Bentheim, 1983)

Gebruiksvoorbeeld: De vader gaat geheel op in zijn geld (‘zijn religie’) en gedraagt zich als een tollenaar in moderne versie: huisjesmel¬ken, handeltjes, op de kleintjes letten. (Vrij Nederland, 17-5-1986)

Gepubliceerd op 11-05-2017