Discipel betekenis & definitie

Discipel, (lett.) leerling; volgeling, in het bijzonder van Jezus; ook: leerling of aanhanger van een bepaald persoon in het algemeen.

In de evangeliën en in het boek Handelingen van de Apostelen worden de volgelingen van Jezus als discipelen aangeduid, zowel in het algemeen, als ter aanduiding van alleen zijn twaalf leerlingen: ‘En Hij riep zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven’ (Matteüs 10:1, NBG-vertaling). Al in het Middelnederlands was dit woord ontleend aan Latijn discipulus, waarschijnlijk via Frans disciple. Het woord was en is niet strikt beperkt tot de bijbelse toepassing, maar dat was wel de meest gewone. De NBV gebruikt uitsluitend de term leerling.

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 22834-36. Dar [in Kapernaüm] ghenas ons here mede. / Bi sire disciple bede. / Pieters suegher van den rede. (Daar genas onze Heer, mede door het gebed van zijn discipelen, Petrus’ schoonmoeder van de koorts.)

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Lucas 14:33. Alsoo dan een yegelick van u, die niet en verlaet alles wat hy heeft, die en kan mijn discipel niet zijn.

Gebruiksvoorbeeld: Voor de derde keer telde meneer Willems zijn discipelen. Eenendertig had hij er; er moest dus nog maar één koppel binnenkomen. (A. Romijn, Het feest van de zesde, z.j. (1958), p. 121)

Gebruiksvoorbeeld: Cocteau voerde de knaap op in allerlei mondaine gelegenheden die op dat moment sterk in trek waren: Montmartre, Montparnasse. En de Meester toonde zich erg trots op zijn nieuwe discipel, die in de wandeling ‘Monsieur Bébé Cadum’ werd genoemd, naar de zeep die de oude en vermoeide wereld een nieuwe glans moest geven. (De Standaard, nov. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: Themaat beschouwt Quinten als zijn discipel, zijn beste leerling, maar als het erop aankomt is het Kuku meer begonnen om de verklaring van zijn visioen. (Mulisch en de wetenschap. Naar aanleiding van De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, 1995, p. 71)

Gepubliceerd op 11-05-2017