Saulus betekenis & definitie

Saulus, naam van de apostel Paulus voordat hij zich bekeerde tot het christendom.

Van een Saulus een Paulus worden, na een fel tegenstander geweest te zijn een verwoed voorvechter worden.

De joodse Saulus was een vurig tegenstander van de nieuwe leer van Jezus en was onder meer betrokken bij de steniging van Stefanus; zie Handelingen 7:58, ‘Ze dreven hem de stad uit om hem te stenigen. De getuigen gaven hun mantel in bewaring bij een jongeman die Saulus heette’ (NBV). Toen Saulus op weg was naar Damascus om daar nog meer kwaad aan te richten, verscheen God aan hem en vroeg hem waarom hij hem vervolgde. Hierdoor bekeerde Saulus zich en nam hij de naam Paulus aan. Een verwijzing naar deze geschiedenis vinden we in het volgende citaat: ‘[...] Ichiro Ozawa. De man die nog maar kort geleden de lakens in de LDP uitdeelde, maar die de gang van Saulus maakte naar Damascus en radicaal brak met de 38 jaar hegemonie van de LDP’ (NRC, jan. 1994). De gang van Saulus naar Damascus hebben wij verder niet aangetroffen zodat het onzeker is of het een vaste uitdrukking genoemd mag worden.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Handelingen 7:58. Ende die getuigen legeden haer clederen af, totten voeten eens iongelincs, die hiet Saulus.

Gebruiksvoorbeeld: Van Loghem was niet een Saulus die Paulus werd, maar de wortels van zijn Nieuwe Bouwen waren al te vinden in zijn werk van voor 1927. (NRC, apr. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: De nieuw bekeerde zal trachten zieltjes te winnen -- te overtuigen, zending te bedrijven. Als Saulus Paulus wordt, wordt hij bovenal zendeling! (A.C. Zijderveld, De samenleving als schouwspel. Een sociologisch leer- en leesboek, 1996 (1991), p. 147)

Gepubliceerd op 11-05-2017