Rots betekenis & definitie

Rots, (fig.) een persoon op wie of een situatie waarop men kan vertrouwen.

Op een rots bouwen, vast vertrouwen op een bepaalde persoon of situatie.

Op een rots bouwen gaat terug op Matteüs 7:24, waar Jezus spreekt: ‘Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots’ (NBV). Deze man wordt gesteld tegenover de dommerik die zijn huis op zand bouwde, zodat het bij storm, wind en regen instortte. Zie ook zand. Oudere vertalingen hebben hier ook wel steen (Liesveldtbijbel, 1526) of steenrots in plaats van rots.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), 2 Samuël 22:3. Godt is mijne rotze, ick sal op hem betrouwen.

Gebruiksvoorbeeld: [...] dat wil zeggen de late middeleeuwen, de Renaissance en de Gouden Eeuw. Toen God nog optrad als vaste rots van ons behoud, toen vakmanschap nog naar meesterschap leidde, toen er nog 'waarachtig' geschilderd werd. (NRC, dec. 1994)

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Matteüs 7:24. Een yegelijck dan die dese mijne woorden hoort, ende de selve doet, dien sal ick vergelijcken by een voorsichtich man, die zijn huys op een steenrotse gebouwt heeft.

Gebruiksvoorbeeld: De katholieke kerk is niet op een rots gebouwd maar op caoutchouc, op rubber. (NRC, maart 1994)

Gebruiksvoorbeeld: Maar erger nog: er zijn tekenen dat de middenklassen, de rots waarop de Tories bouwen, massaal hun vertrouwen in de Conservatieve Partij opzeggen. (NRC, feb. 1994)

Gepubliceerd op 11-05-2017