Roede betekenis & definitie

De roede (niet) sparen, (niet) terughoudend zijn in het geven van kritiek of het nemen van harde maatregelen.

Spreuken 13:24 luidt: ‘Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem liefheeft, tuchtigt hem reeds vroeg’ (NBG-vertaling; in de NBV is de ‘roede’ tot ‘stok’ geworden) . Het geven van (lichamelijke) straf getuigt van liefde, zo is de boodschap. Deze woorden zijn gereduceerd tot de werkwoordelijke verbinding de roede (niet) sparen.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Spreuken 13:24. Wie sine roede spaart, die hatet sinen sone. Maer wie hem lief heeft, die onder wijst hem ter stont. (De Statenvertaling (1637) heeft inhoudt i.p.v. spaart.)

Gebruiksvoorbeeld: De Jong spaarde de roede niet. Wanneer de leiders, of het volk als geheel, hadden gefaald, werden de ‘fouten’ duidelijk van de ‘goeden’ gescheiden. (NRC, apr. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: Ook het geloof speelt een grote rol, of liever de afvalligheid van Maarten en de reacties van zijn vader daarop die, zoals we weten, zijn zoon de roede niet heeft gespaard. (Leeuwarder Courant, 15-12-1979)

Gepubliceerd op 11-05-2017