Gisteren betekenis & definitie

Niet van gisteren zijn, goed op de hoogte zijn; uitgeslapen zijn.

Waarschijnlijk is deze uitdrukking ontleend aan Job 8:9, waarin Bildad Job aanmaant te rade te gaan bij zijn voorgeslacht om Gods handelswijze begrijpen: ‘Wij toch zijn van gisteren en weten niets; / want als een schaduw zijn onze dagen op aarde’ (NBG-vertaling; de NBVluidt ‘wij zijn hier pas sinds gisteren). De vorm van gisteren zijn ‘dom, onwetend zijn’ komt maar sporadisch voor (we treffen haar aan bij Wolff en Deken, eind 18e eeuw); de uitdrukking is nu alleen in de ontkennende vorm bekend. De achterliggende gedachte dat er wijsheid te putten valt uit het verleden is daarbij verloren gegaan.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Job 8:9. Want wy sijn van ghisteren, ende en weten niet, onse leuen es een scaduwe opter aerden.

Gebruiksvoorbeeld: Mij werd uitgelegd dat geconcentreerd zoutzuur, veertig procent, moeilijk te krijgen is en dat ze het gebruiken om cocaïne mee te wassen. Ik knikte, ik was niet van gisteren, immers. (M. Bril, Voordewind, 1990, p. 52)

Gebruiksvoorbeeld: En zo gebeurde het ook een keer dat in de steeg van Arie Kroeskop een echtpaar kwam, waarbij de vrouw een plasje moest doen. Kroeskop stormde de garage uit en ging tekeer tegen de man en de vrouw op een reuze manier. Maar de man, ook niet van gisteren, had in wezen lak aan Kroeskop. Zijn vrouw had het immers benauwd. (Meppeler Courant, apr. 1994)

Gebruiksvoorbeeld: Hollywood is niet van gisteren en gaat mee met zijn tijd. (NRC, okt. 1994)

Gepubliceerd op 11-05-2017