Job betekenis & definitie

Job, rijke herdersvorst, hoofdpersoon van het bijbelboek Job; in vergelijkingen genoemd om de ellendige toestand waarin hij raakte en om zijn duldzaamheid in zijn lijden.

Zo arm als Job, uitermate arm.

Jobsgeduld, zeer groot geduld in moeilijke omstandigheden.

Het bijbelboek Job hoort tot de wijsheidsboeken en gaat over het lijden van de mens. Het verhaalt hoe de vrome Job inzet wordt in een conflict tussen God en de satan. De satan daagt God uit: zal Job zijn geloof wel behouden als zijn voorspoed hem afgenomen wordt? De satan mag van God zijn gang gaan en Job beproeven. Job vervalt tot uiterste armoe en wordt een lichamelijk wrak, maar behoudt zijn geloof. Zijn ellende en zijn duldzaamheid en standvastigheid daarin zijn spreekwoordelijk geworden, al in de tijd van het Nieuwe Testament (zie bijvoorbeeld Jakobus 5:11: ‘U hebt gehoord hoe standvastig Job was’ (NBV). Behalve in uitdrukkingen die zijn naam vermelden, hebben fragmenten uit dit bijbelboek nog verschillende andere opgeleverd.

Bijbelcitaat: Delftse Bijbel (1477), Job 2:10. Of wij goet ontfaen hebben van sheren hant: waer om en sullen wij tquade niet ghedoghen? In al desen en sondichde iob mit al sijnen lippen niet.

Gebruiksvoorbeeld: Mijn hemel, bad ik, laat dit niet waar zijn [t.w. een dreigende prostaatontsteking]. [...] Als het op lijden aankomt, ben ik geen Job. (NRC, 25-5-1999, p. 26)

Gebruiksvoorbeeld: Ha, meneerke brys was in engeland zo arm als job, en hoopte eerlang op een bureeltje te mogen komen! (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 397)

Gebruiksvoorbeeld: Ze beende de keuken uit en gooide de deur met een klap achter zich dicht. Viola verwachtte dat er aan het jobsgeduld van de Freule nu wel een eind was gekomen en ze keek gespannen in haar richting. (L. Verhagen, Verboden begeerte, 1995, p. 76)

Job op de mestvaalt, iemand die in zeer kommervolle omstandigheden is geraakt na in voorspoed te hebben geleefd.

Nadat Job al zijn bezittingen heeft verloren en ook door zweren (mogelijk melaatsheid) is getroffen, zit hij volgens de oudere bijbelvertalingen in de as neer en krabt zich met een scherf: ‘En hij nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij neerzat in de as’ (Job 2:8, NBG-vertaling). In het Nederlands is de uitdrukking die hierbij hoort, bekend als Job op de mesthoop of mestvaalt. Een mogelijke uitleg van de as of, in enkele vertalingen, ashoop waarover de bijbel spreekt is namelijk dat hiermee verwezen wordt naar een vuilnishoop buiten het dorp, waar as, scherven en droge mest opgehoopt lagen. Het is tevens de plek waar melaatsen verbleven. Het woord mesthoop vinden we i.v.m. Job het eerst in een uitdrukking in de bijbelse spreekwoordenverzameling van Sprenger van Eijk uit 1844. Het woord sluit ongetwijfeld beter bij de Nederlandse situatie aan, maar heeft tevens een wat andere betekenis dan as(hoop). De NBV zegt hier ‘terwijl hij in het stof en het vuil zat’.

Bijbelcitaat: Bijbel van Van der Palm (1818-1830), Job 2:8. En hij nam zich een potscherf om zich daarmede te schrabben, en hij zat neder midden op den asch-hoop.

Gebruiksvoorbeeld: Dankzij Job geloof ik dat als je eenmaal op de mestvaalt zit, het niet meer belangrijk is hoe je daar gekomen bent. De vraag is of je in de mest blijft liggen of opstaat. (R. Diekstra in De Volkskrant, 16-5-1998, p. 9)

Gebruiksvoorbeeld: Huis niet veilig, straat niet veilig, wereld niet veilig. Allemaal kunnen we ineens veranderen in Job op de mestvaalt. (NRC, 1-2-1999, p. 7)

Jobstijding(en), bericht(en) over zware tegenslag.

De Satan gaat grondig te werk, en ontneemt Job op één dag alles wat hij heeft. Tot vier maal toe komt een boodschapper hem melden dat hij verlies geleden heeft; eerst zijn vee op verschillende plaatsen en tenslotte alle tien zijn kinderen: ‘Ook deze boodschapper was nog niet uitgesproken, of er kwam een volgende met het bericht: “Uw zonen en uw dochters zaten in het huis van hun oudste broer te eten en wijn te drinken. Maar plotseling werd het huis getroffen door een hevige storm uit de woestijn, zodat de vier muren instortten, en uw kinderen onder het puin bedolven werden en de dood vonden. Ik ben als enige ontkomen om u te zeggen wat er gebeurd is”’ (Job 1:18-19, NBV).

Bij wijze van woordspeling werd Jobstijding in de betekenis van sollicitatiebrief genoemd door K. van Kooten, in Hedonia (1984) (E. Sanders, Jemig de pemig! De invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, p. 10).

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Job 1:13-14. Opten dach doen sine sonen ende dochteren aten ende droncken wijn in haers eersten geboren broeders huyse, so quam een bode tot Hiob ende sprac [...].

Gebruiksvoorbeeld: Dan die jobstijding in de late avond van maandag 6 aug.: hersenbloeding. De wekenlange doodsstrijd. Voorbij. (Gazet van Antwerpen, 22-9-1979)

Gebruiksvoorbeeld: Het was voor Jannetje een jobstijding die haar zoete dromen als een zeepbel uiteen liet spatten. (H. Thijssing-Boer, Liselore Langeveld, 1991, p.6)

Gepubliceerd op 11-05-2017