Duivel betekenis & definitie

Duivel, kwade geest; (fig.) het kwaad; (fig.) slecht, verdorven persoon.

Duivel is een vroege ontlening, via het Latijn, uit Grieks diabolos ‘lasteraar, aanklager’. In de bijbel komt het gepersonifieerde kwaad vrijwel alleen in het Nieuwe Testament onder deze naam voor; enkele van de vele andere benamingen zijn de antichrist, Beëlzebul, de boze, onreine geest, de satan. De duivel als universeel symbool van het kwaad heeft in het volksgeloof een belangrijke plaats ingenomen, wat zich uit in de vele samenstellingen en uitdrukkingen met duivel, die niet in rechtstreeks verband met een bijbeltekst staan. Ook in verwensingen en scheldnamen speelt het woord een rol. Daarin is niet zelden de oude vorm duvel bewaard. Dievel, eveneens een oude klankvariant die we nog bij Maerlant vinden is geheel uit het algemene Nederlands verdwenen.

Een van de bekendste bijbelverhalen waarin de duivel figureert is dat waarin hij Jezus in de woestijn probeert te verleiden. Jezus heeft zich veertig dagen en nachten in de woestijn teruggetrokken om te vasten, als de duivel verschijnt. ‘Vervolgens nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette hem op het hoogste punt van de tempel. Hij zei tegen hem: “Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden”’ (Matteüs 4:5-6, NBV).

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 22212-16. .xl. nachte. ende .xl. daghe. / Vasti dans ghene saghe. / Dar naer ghinc hem hongher an. / Die duuel ward gheware dan. / Om hem te proeuene quam hi bet naer. (Veertig nachten en veertig dagen vastte hij, werkelijk waar. Daarna werd hij door honger bevangen. De duivel merkte dit. Om hem op de proef te stellen kwam hij naderbij.)

Gebruiksvoorbeeld: De Falklandeilanden. ‘Dit zijn miserabele eilanden, iedere dag storm, zelfs de duivel zou er niet willen wonen.’ Een gemiddelde notitie in een logboek. (Waterkampioen, 1992, nr. 24)

Van of door de duivel bezeten, krankzinnig; verdorven, slecht.

De evangeliën vertellen ook van genezingen van mensen die krankzinnig zijn omdat de duivel bezit van hen heeft genomen. Waar de Statenvertaling nog van de duivel bezeten (persoon) schrijft, heet zo’n patiënt in de jongere vertalingen bezeten: ‘Terwijl ze het huis weer verlieten, bracht men iemand bij hem die bezeten was en niet kon spreken. Nadat de demon was uitgedreven, begon de stomme te spreken’ (Matteüs 9:32-33, NBV). Zie ook Beëlzebul en Bezeten(e). Het door de duivel bezeten zijn is al een oud begrip dat ook buiten de bijbel gvormd kan zijn.

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 22888-92. Ende doe hi ouer quam te hant. / Jn der sarrasinen land. / [...] / Quamen ieghen hem si tve. / Die metten dieuel waren beseten. (En toen hij [Jezus] vervolgens aan de overkant kwam, in het land der Saracenen, [...] kwamen hem twee mensen tegemoet die door de duivel waren bezeten.

Gebruiksvoorbeeld: Als politieman was hij steeds bij nacht en duisternis op de baan, steeds in kontakt met door de duivel bezeten schurken, anarchisten, bandieten ... hoeren en jonge hete wijven. (De Tijd, 19-11-1976)

Gebruiksvoorbeeld: Hij fietste als door de duivel bezeten en hoopte in de Staatsbossen een veilig heenkomen te vinden. Zijn vrouw was lid van de NSB en hij sympatiseerde er mee. (Meppeler Courant, apr. 1995)

Duivelskunstenaar, tovenaar, beoefenaar van de zwarte kunst; (fig.) uiterst handig persoon, iemand die het schijnbaar onmogelijke voor elkaar krijgt.

De oudtestamentische duivelskunstenaar hoort tot de minder betrouwbare categorie van waarzeggers, tovenaars en andere figuren die met ondoorzichtige vaardigheden hun brood verdienen. In de vorige eeuw was deze betekenis nog gewoon; nu verstaan wij onder duivelskunstenaar iemand die alles klaarspeelt, weliswaar op een even onbegrijpelijke, maar toch niet onsympathieke manier.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Jesaja 8:19. Vraeht de waerseggers, ende duyvelsconstenaers, die daer piepen, ende binnen ’smonts mompelen.

Gebruiksvoorbeeld: Maar hij [de president van Polen, Walesa] heeft ook zijn sterke momenten: de duivelskunstenaar bereikte een akkoord met zijn oude achterban, de vakbond Solidariteit. (De Standaard, nov. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: Na weer een reorganisatie op het Stadskantoor kreeg Voogd de verantwoordelijkheid over een afdeling die veel meer doet dan alleen het beheer van het groen. Hij kreeg te maken met riolering, wegen en water, parkeren, havenfaciliteiten, openbare verlichting. ‘Je moet een duivelskunstenaar zijn om daarmee allemaal om te gaan.’ (Meppeler Courant, okt. 1995)

Ecce homo

Ecce homo, (lett.) zie de mens; uitspraak van Pilatus toen hij Jezus na diens geseling aan het volk toonde; (fig.) afbeelding van Jezus in die situatie. Zie ook Zie de mens onder Mens.

Op een houtsnede uit 1485 (afgebeeld in J. Van Laarhoven, De beeldtaal van de christelijke kunst, 1992, p. 201) kan men zien op welke manier een tekst bepalend kon worden voor de naam van een voorstelling. De houtsnede beeldt aan de ene zijde de getergde en geslagen Jezus af met naast hem de weifelmoedige Pilatus, terwijl aan de andere kant het spottende en agressieve volk waaronder een soldaat en een geestelijke te zien is. Ecce homo staat er in duidelijke letters boven, naar de evangelietekst in Johannes volgens de Vulgaatvertaling. Het werd een van de meest uitgebeelde lijdenstaferelen. Reeds Van Mander verhaalt in 1604 hoe Lucas van Leyden als zestienjarige ‘den miraculeusen ... Ecce Homo’ snijdt.

Gebruiksvoorbeeld: Leendert greep de bos ijzerdraad en drukte die met beide handen op de kale schedel van meneer Savijn. ‘Ecce homo,’ riep hij met overslaande stem. Toen liet hij zich volkomen uitgeput op een stoel vallen. (J. Wolkers, Alle verhalen, 1981, p. 370)

Gebruiksvoorbeeld: Ecce Homo, doek van Honoré Daumier, 1849-1852. (Bij een illustratie in J. Van Laarhoven, De beeldtaal van de christelijke kunst,1992, p. 286)

Gepubliceerd op 11-05-2017