Duivel
in. (-en, -s), in verzachte vorm DUVEL, 1. het boze beginsel als persoon gedacht, in de Christ. opvatting de gevallen aartsengel Lucifer, dan Satan of Beëlzebub genoemd en heersend over de andere gevallen engelen die ook wel als duivels voorgesteld worden: Jezus geleid in de woestijn om verzocht te worden van de duivel (Matth. 4:...