Cham betekenis & definitie

Cham, jongste zoon van Noach; (fig.) iemand die geen respect betoont tegenover ouders of hoger geplaatsten.

Na de zondvloed plantte Noach een wijngaard. Genesis 9:21-22 vertelt dan: ‘Hij dronk van de wijn, werd dronken en ging in zijn tent liggen, zonder kleren aan. Toen Cham, de vader van Kanaän, zag dat zijn vader naakt was, vertelde hij dat aan zijn twee broers, die buiten waren’ (NBV). Dit weinig discrete gedrag leidde tot een zware veroordeling van Cham, die had moeten doen wat zijn broers deden: met afgewend gezicht hun vader met een mantel bedekken. Cham wordt nog slechts zelden genoemd in vergelijkingen.

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 1319-21. Cam die spotte doe hi sach. / Doe sijn vader naect lach./ Ende hi dronken lach van wine. (Cham spotte toen hij zag dat zijn vader naakt lag en dronken was van de wijn.)

Gebruiksvoorbeeld: [Waarschuwing tegen een brutaal kind:] Denk aan Cham! (Gehoord, jaren ’90)

Gebruiksvoorbeeld: Ik denk bijv. aan het generatieconflict zoals dit door een moderne Cham wordt opgedist. (De Tijd, 19-12-1970)

Gepubliceerd op 11-05-2017