Benjamin betekenis & definitie

Benjamin, jongste zoon van Jakob; (fig.) het jongste kind, vaak daarbij de lieveling of het troetelkind in een gezin; ook wel: jongste persoon in een gezelschap; favoriete persoon of zaak.

Jakob hield van alle twaalf zijn zonen, maar vooral van de zonen die hij bij Rachel had, dus van Jozef en de jongste, Benjamin. Ook Jozef was zijn jongste broer meer dan de anderen toegenegen. Als hij hem na lange tijd weerziet is hij zijn ontroering niet meester en moet hij zich terugtrekken (Genesis 43:29-30). Benjamin is een van de meest voorkomende figuurlijk gebruikte bijbelse namen, en wordt zelfs op meisjes toegepast.

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 3125-28. Do hi wiste dat sijn vader./ Leuede ende hi sach beniamin. / Al sijn lijf verroerde him. / Ende ghinc in sine kamere wenen. (Toen hij begreep dat zijn vader (nog) leefde en (toen) hij Benjamin zag, raakte hij zeer ontroerd en ging zijn kamer in en weende.)

Gebruiksvoorbeeld: Onze Henneman gaat op vrijersvoeten en nu vindt hij ’t zelf spijtig voor moeder dat ze haar Benjamin kwijtraakt. Daarom loopt hij haar zo achter de rokken. (A. Oosterbroek-Dutschun, Tweedonker, 1990, p. 21)

Gebruiksvoorbeeld: [In een geboorte-advertentie:]Geboren, onze benjamin: Jonathan Benjamin. (NRC, 27-11-1999, p. 36)

Gebruiksvoorbeeld: Parijs was zijn Benjamin. Men hoefde de naam van die stad maar te noemen of hij begon te stralen als de gelukkige man die hij had willen worden. (S. Carmiggelt, Weet ik veel, 1958, p. 22)

Gepubliceerd op 11-05-2017