Beest betekenis & definitie

Het beest, de duivelse figuur uit de Openbaring, de antichrist; (fig.) het kwaad; demonische, antichristelijke macht.

Vanaf hoofdstuk 11 treedt in het boek Openbaring, dat visioenen van Johannes bevat, het beest op, een demonisch wezen dat alles vernietigt wat het christelijke geloof nastreeft. ‘Wanneer zij hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest dat uit de onderaardse diepte opstijgt de strijd met hen aanbinden, hen overwinnen en hen doden’ (Openbaring 11:7, NBV). Ook nu wordt er naar kwade machten wel verwezen met dit beest. Zie ook Getal.

Bijbelcitaat: Leuvense Bijbel (1548), Openbaring 11:7. Ende als si hen ghetuygenis sullen voleynt hebben, dan sal die beeste die vanden afgront opgheclommen is, teghen hen eenen strijdt houden.

Gebruiksvoorbeeld: Daar dringen die dingen / die ik niet noemen kan / van toen luidruchtig aan / over de zieke velden / onder de nevel van gevaar / waaruit de tankdivisies rijden van het Beest. (J.B. Charles, De gedichten tot 1963, 1963, p. 82)

Gebruiksvoorbeeld: In ieder van ons huist iets van het Beest, wij zijn allen getekend. (J. Mens, De witte vrouw, 1987 (1952), p. 67)

Gebruiksvoorbeeld: Hij kende Openbaringen uit zijn hoofd. Ik zei weleens dat ‘het beest uit de zee’ net zo goed een kreeft kon zijn maar hij wist onomstotelijk dat het een Narwal was. (J.M.A. Biesheuvel, Zeeverhalen, 1985, p. 85)

Gepubliceerd op 11-05-2017