Wat is de betekenis van Veilig?

2018
2021-01-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

veilig

veilig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: vei-lig 1. beschermd tegen gevaar ♢ in de tuin is het veilig, op straat niet 1. het veilig opbergen [zodat het niet zoekraakt of gestolen wordt]...

Lees verder
2017
2021-01-17
Voetballers

Jargon & Slang van Voetballers

Veilig

Veilig - 'op veilig spelen': UEFA-slang voor het omkopen van de tegenpartij.

2001
2021-01-17
Filosofisch woordenboek

Paul Frentrop - Voor rede vatbaar

Veilig

Dat zijn we op een plek waar we niet door andere mensen gedood worden. Let op het gebruik van het woordje ‘we’. Veilig zijn we alleen samen. Niet in ons eentje. Weet u trouwens waar het woord veilig vandaan komt? In de zevende en achtste eeuw voeren Friese handelaren op Scandinavië. Lang niet iedereen kon zelf een schip bekostigen,...

Lees verder
1980
2021-01-17
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Veilig

Er zijn talloze bijvoeglijke naamwoorden die gevormd zijn met het achtervoegsel -ig: hongerig, dorstig, gelovig, toornig, vochtig, goedig, levendig. In al deze woorden herkent men dadelijk het grondwoord: honger, dorst, geloof enz. Maar dat is bij veilig niet het geval. Het woord veil waarvan veilig is afgeleid, bestaat niet meer, maar het betekend...

Lees verder
1973
2021-01-17
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

veilig

bn. en bw. (-er, -st), 1. vrij van gevaar: die weg is niet iets — opbergen; in veilige haven komen, behouden aankomen; ook fig.; 2. verzekerd tegen aantasting: niets is voor hem —; 3. beschermd tegen gevaar: (van signalen enz.) aanduidend dat er geen gevaar is: het sein staat op gerust: je kunt dat doen.

Lees verder
1950
2021-01-17
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Veilig

bn. bw. (-er, -st), 1. (van pers.) buiten gevaar, beschermd tegen personen of gevaren die iem. bedreigen : hier zijt gij veilig ; achter die borstwering stonden wij veilig; 2. (van plaatsen) zodanig dat men of iets tegen aantasting of gevaar verzekerd is : een veilige schuilplaats; die ivcg is niet veilig ; iets op een veilige plaa...

Lees verder
1898
2021-01-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VEILIG

VEILIG - bn. bw. (-er, -st), vrij van gevaar, te vertrouwen : hier zijt gij veilig’, die weg is niet veilig, iets op eene veilige plaats brengen; — gij kunt dat veilig doen, gerust; geld veilig uitzetten, zoodat men verzekerd is het terug te bekomen. VEILIGLIJK, bw.

Lees verder