Uit
I. vz. 1. van plaats: om een zich bevinden buiten iets of een (eig. of fig.) beweging, waarbij men de grenzen ener zelfstandigheid verlaat, uit te drukken: uit de school, uit de kerk, uit de kamer, uit het huis komen, gaan; die waren komen uit Engeland; iets uit de hand laten vallen, uit een mand schudden; uit het raam kijken; uit...