Wat is de betekenis van Tuin?

2022
2022-10-01
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

tuin

1) (17e eeuw) (euf.) vrouwelijk geslachtsdeel. Vaak in de verkleinvorm. De vrouwelijke vruchtbaarheid wordt vergeken met een tuin. • Zelfs een tuin en een landschap zijn volgens Freud „veel voorkomende symbolen van het vrouwelijk geslachtsdeel"; en bovendien nog „hout en andere stoffen" (E. van Dieren: "Futuristische" behandeling v...

Lees verder
2019
2022-10-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tuin

tuin - Zelfstandignaamwoord 1. (landbouw) (tuinieren) een omheind stuk grond waar bloemen gekweekt of groenten geteeld worden Zijn al die bloemen voor je tuin bedoeld? 2. (verouderd) oorspronkelijk een tenen onheining rond een hof Een tuin is gemae...

Lees verder
2018
2022-10-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tuin

tuin - zelfstandig naamwoord 1. stuk grond bij een huis, met bloemen, planten, struiken etc. ♢ wij hebben een huis met een tuin 1. iemand om de tuin leiden [hem bedriegen, misleiden] ...

Lees verder
1998
2022-10-01
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Tuin

een - op zijn buik hebben dood, begraven zijn. Bargoense uitdr. ‘Zeg,’ riep hij naar binnen, ‘wou jij soms een tuin op je buik?’ (Een tuin op je buuk: plastisch Nim- weegs voor ‘onder de groene zoden liggen’.) (A.F.Th. van der Heyden: Vallende ouders, 1992) ‘Reken maar van yes’, riep er één, ‘Die krijgt een tuin op zijn buik’, zei een ander. (Huub...

Lees verder
1997
2022-10-01
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

tuin

In de 17de eeuw komt by alle thuynen voor. De Baere (1940:171) meent dat tuin wellicht teruggaat op een vijftiende-eeuwse munt, waarop een omheining van takken stond afgebeeld, ter herinnering aan een tuin of versperring van doornhaag, waarmee graaf Willem vi van Holland in 1406, bij de belegering van het slot Hagestein bij Gorcum, zi...

Lees verder
1992
2022-10-01
Symbolen

Hans Biedermann

tuin

Men kan een lijn trekken van het ongecultiveerde woud via het heilige bos (Du. hain) naar de tuin, dat wil zeggen naar een kunstmatig aangelegd en onderhouden stuk natuur. Tuin heeft in de traditionele symboliek een positieve klank; zo is er de ‘paradijstuin’, een besloten plek waar de Schepper de eerste mensen onderbracht en met de app...

Lees verder
1980
2022-10-01
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Tuin

De eigenlijke betekenis van het woord tuin is: omhei-ning. Daarna duidt men er ook het omheinde stuk grond zelf mee aan. De oude betekenis komt nog voor in enkele uitdrukkingen. In geschiedenisboeken leest men dat in 1598 de tuin der Unie door de overwinningen van Maurits was gesloten. Verder is er de zegswijze: de kap op de tuin hangen, oorspronke...

Lees verder
1977
2022-10-01
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

tuin

tuin - vrouwelijk geslachtsdeel; eig. ‘omheining' (vgl. voor eenzelfde bet.-overgang o.a. balie; zie ook (bloemtuin) begieten). Tot een Zaatverkoper te Leiden. Hier verkoopt men veelderlei zaat. Om in de aarde te zaajen daar vrugt uit ontstaat; Tot nodig onderhoud voor ‘t menschelyke leven, Doch 't best zal ik myn wyf zelf in...

Lees verder
1973
2022-10-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Tuin

m. (-en), 1. afperking, omtuining; nog in de zegsw. iemand om de tuin leiden, hem bedriegen; (vandaar hist.) voorstelling van een ronde omheining als symbool van veiligheid: (heraldiek) de Hollandse leeuw in zijn tuin; 2. (waterbouwkunde) vlechtwerk van tenen voor afscheidingen, beschoeiingen, kribben enz.; 3. afgeschoten stuk grond bij of om een...

Lees verder
1963
2022-10-01
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

tuin

(de, -en), (ook:) rechthoekig deel van een plantage( ) (A.1), met vaste afmetingen: blok begroeid met één gewas, aan de lange kanten begrensd door een trekker( ), verdeeld in bedden( ). - Etym.: In de veroud. samenst. poldertuin( ) betekent het plantage( ) (A.1). Syn. veld( ). Samenst. ook riettuin( ). Zie ook: stuk( ).

Lees verder
1954
2022-10-01
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Tuin

is een vlechtwerk van rijshout gebruikt voor oeververdediging, dat bestaat uit verticaal in de grond geslagen staken, waartussen takken (latten genaamd) gevlochten worden (breien) (z. ook Rijswerken).

1952
2022-10-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tuin

s., tún (de & it); iem. om deleiden, immen yn 'e mist fiere.

1950
2022-10-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Tuin

m. (-en), 1. (in vrij gebruik veroud.) heining, afperking, omtuining: een tuin om een stuk grond maken; de Hollandse leeuw in zijn tuin (op het wapen); (hist.) de tuin gesloten; — (zegsw.) iem. om de tuin leiden, hem foppen, bedriegen; — de kap op (of om) de tuin hangen, het kloosterleven verlat...

Lees verder
1937
2022-10-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

tuin

m. -en, tuintje; 1. omheining, afperking b.v. palen, verbonden door rijs- of vlechtwerk, vero. of gew.: om mijn hof is een tuin; zegsw. iem. om de tuin leiden, eig. niet in de tuin, maar er om heen leiden, beetnemen; zie kap; het (niet) over de tuin gooien, (niet) roekeloos verkwisten; 2. Herv. afgesloten ruimte om de preekstoel: zie doophek; 3. af...

Lees verder
1930
2022-10-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

tuin

m. (-en; -tje) [vgl. Gallisch (Lug)dumum d. i.] I. Eig. omheining nl. 1. omheining van palen door rijs- of vlechtwerk verbonden ; een om een stuk grond maken; iemand om de leiden, hem beetnemen, foppen, bedriegen; iets over de gooien, roekeloos verkwisten. → kap. 2. vlecht-, mandewerk, van tenen voor afscheidingen, kribben enz. II. Metn....

Lees verder
1921
2022-10-01
Levende taal

T. Pluim - 1921

Tuin

is oorspr. de heining, de afsluiting, later het afgeslotene zelf: de moestuin, bloemtuin. Aan de oorspr. bet. herinnert nog: „de Hollandsche tuin” = omheining, waarin de Ned. Maagd zit, en tuinkoninkje, daar het in den tuin (= heg) nestelt. Ook in de uitdr. om den tuin leiden (= bedriegen, misleiden) heeft tuin de oude bet.; men leidt i...

Lees verder
1911
2022-10-01
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Tuin

bet. oorspr. heining, afsluiting, later het afgeslotene zelf: moestuin, bloemtuin; vgl. de Hollandsche tuin — omtuining, waarin de Ned. Maagd zit, en tuinkoning (de Hgd. naam voor winterkoninkje), daar hij in de haag nestelt. Het woord is verwant met het Keltische dunum — stad, Eng. town = stad, daar de oudste steden met een heg waren a...

Lees verder
1898
2022-10-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tuin

Tuin - m. (-en), heining, afperking, omtuining: een tuin om een stuk grond maken; (fig.) iem. om den tuin leiden, hem foppen, bedriegen ; de kap op (of om) den tuin hangen, het kloosterleven verlaten ; — vlechtwerk, mandewerk van teenen voor afscheidingen, afschoeiingen, kribben enz. : de staakrijen worden soms door tuinen vervangen, palen me...

Lees verder
1898
2022-10-01
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Tuin

zie Hof.

1864
2022-10-01
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Tuin

Tuin, m. (B.v.), (-en), hof, lusthof, uitspanningsplaats (met boomen beplant, van bloemen voorzien enz.); heining, afperking, omtuining; Hollands -, de schoone dreven van Nederland; (fig.) iem. om den - leiden, hem foppen, bedriegen; de kap op (of om) den - hangen, het kloosterleven verlaten. *-AARDE, v. gmv. *-ALSEM, m. zek. plant. *-ARBEID, m....

Lees verder