Wat is de betekenis van tand?

2019
2021-04-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tand

tand - Zelfstandignaamwoord 1. (anatomie) een hard, wit voorwerp in de mond, meestal in 2 horizontale rijen aanwezig (één in elke kaak) en algemeen gebruikt om te eten 2. (techniek) een meestal scherp uitsteeksel aan voorwerpen (bijvoorbeeld aan zaag|zagen of tandwielen) tand - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tege...

Lees verder
2018
2021-04-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tand

tand - zelfstandig naamwoord 1. hard wit uitsteeksel in boven- en onderkaak ♢ met zijn tanden beet hij in de appel 1. hem aan de tand voelen [ondervragen] 2. tot de tanden gewap...

Lees verder
2010
2021-04-15
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

tand

tand: onderdeel van een kettingblad.

2010
2021-04-15
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

tand

Elk van de kleine botjes met tandglazuur (tandemail) erop die je in een horizontale rij in je beide kaken hebt om mee te bijten en voedsel te kauwen. Een kies is een tand met meer bobbels. De tandarts noemt alle tanden en kiezen bij elkaar ‘de gebitselementen’. Tanden zijn nodig om voedsel fijn te maken om zo de vertering te vergemakkelijken. Ieder...

Lees verder
2009
2021-04-15
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

tand

uitstekend, puntig onderdeel van een versnellingsblad: een tandje bij, meer, hoger, lager, minder, terug zetten, een tandje bij steken, schakelen naar een grotere, kleinere versnelling, (ook fig.) een extra inspanning doen, er een schepje boven op doen, of juist minder inspanning doen, ‘gas’ terugnemen.

1992
2021-04-15
Symbolen

Hans Biedermann

tand

Om niet geheel duidelijke redenen hebben tanden vaak de symbolische betekenis van vitaliteit, voortbrenging, potentie en sperma. In antieke sagen kunnen uit uitgezaaide draketanden gewapende mannen opgroeien; tanden hadden occulte betekenis.

1990
2021-04-15
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

tand

tand - Hard uitsteeksel van gemineraliseerd of deels gemineraliseerd weefsel dat wordt gevormd in de kaken van dieren; door de opbouw te onderscheiden van ander been.

1974
2021-04-15
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

tand

gebitselement. Er zijn snij- en hoektanden, gelegen in een tandkas. Tandbederf kan optreden door bacterie-activiteit. Deze voeden zich met voedingsresten (glucose) en produceren hierbij melkzuur, dat het glazuur oplost. Tandbederf (cariës) is een beschavingsziekte. Oorzaak zou ook zijn een tekort aan fluor.

Lees verder
1973
2021-04-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

tand

m. (-en), 1. (biologie) algemene ben. voor afzonderlijke gebitselementen, m.n. voor de voorste (snijen hoektanden) (e); (zegsw.) met de mond vol tanden staan, niet kunnen of durven spreken; zijn tanden in iets zetten, zich ergens intensief in verdiepen; het water loopt me om de tanden, ik word flauw van de honger; haar op de tanden hebben, goed van...

Lees verder
1952
2021-04-15
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Tand

s., tosk; (van rad), tine, takkel; (van zaag), tak(ke); (van vork, riek of hark) tine; -en, van vork, hark, foarke-, harketinen; (van bladrand), takkel; met drie vier -en (van werktuig), trije-, fjouwertinich; met -en (van bladrand), takkelich; iemand aan devoelen, immen...

Lees verder
1950
2021-04-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Tand

m. (-en), 1. ben. voor kleine beenderen die zich veelal in twee horizontale rijen in de kaken van mensen en van sommige diersoorten bevinden, en voornamelijk dienen om het voedsel te vermalen: de tanden worden onderscheiden in snijtanden, hoektanden en maaltanden of kiezen ; de mens heeft twee en dertig tanden; een tand bestaat uit...

Lees verder
1939
2021-04-15
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Tand

Afzetgebied voor pasta en borstels.

1933
2021-04-15
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Tand

Hard beenvormig orgaan in de mondholte der gewervelde dieren (behalve der recente vogels). De t. zijn meestal op de kaken geplaatst of zooals bij de zoogdieren en enkele der reptielen hierin in holten, tandkassen, opgenomen. Hiernaar wordt het gebit genoemd acrodont, wanneer de t. op de kaken, pleurodont, wanneer zij opzij van de kaken, en thecodon...

Lees verder
1898
2021-04-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tand

Tand - m. (-en), elk met email bedekt uitstekend beentje in de kaken der menschen en der meeste dieren, tot bijten, kauwen, scheuren enz. dienende; een mensch heeft 32 tanden; tanden krijgen, wisselen; een tand laten plombeeren, uittrekken; valsche tanden inzetten; — met de tanden knarsen, een krakend geluid maken, door de bovenkaak op de ond...

Lees verder