tand betekenis & definitie

Elk van de kleine botjes met tandglazuur (tandemail) erop die je in een horizontale rij in je beide kaken hebt om mee te bijten en voedsel te kauwen.

Een kies is een tand met meer bobbels. De tandarts noemt alle tanden en kiezen bij elkaar ‘de gebitselementen’. Tanden zijn nodig om voedsel fijn te maken om zo de vertering te vergemakkelijken. Iedere mens krijgt twee sets met tanden en kiezen: het melkgebit, dat in de vroege jeugd doorbreekt, en het blijvende gebit, dat het melkgebit in stapjes vervangt.

Tanden en kiezen worden beschermd tegen beschadiging door een harde laag tandglazuur (tandemail). Die laag kan kapotgaan door zuur dat bacteriën in de mond maken wanneer je je tanden niet poetst, maar ook door zuur uit dranken. Als je veel vruchtensap of frisdrank met prik drinkt, wordt door het zuur erin (van fruit of de prik) de emaillaag op je tanden zo dun dat je tanden voor een deel erdoor kunnen oplossen. Tandartsen zien dit probleem nu vaker bij het gebit van jonge kinderen dan de bruine gaatjes van vroeger, toen mensen minder goed poetsten en er geen fluoride was. Het is een lastig probleem, want tandemail op een overgebleven tandstompje aanbrengen kan niet.

Het tandvlees beschermt de tandhals. Wanneer de kaak rondom de tand ontsteekt, krijg je parodontitis en kunnen tanden los gaan zitten.

Kijk ook bij cariës, gebit, gebitscontrole, mondhygiëne, tanden poetsen.