Wat is de betekenis van Nat?

2020
2022-01-26
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

nat

1) (19e eeuw) (plat) (van een vrouw) geil; (van een man) 'nat worden': zaad uitstorten. Aantekening van Boekenoogen. • Mary hield met haar vingers haar kutje goed open en Cathy bracht behoedzaam de rubber stok naar binnen. Daarna ging ze langzaam op en neer en Mary merkte al gauw dat het een ongekend heerlijk gevoel was. Ze werd helemaal nat....

Lees verder
2020
2022-01-26
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Nat

Zie Nathaniël

2019
2022-01-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

nat

nat - Bijvoeglijk naamwoord 1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water Hij nam het aanrecht af met een natte doek. nat - Zelfstandignaamwoord 1. (drinken) vocht nat - Werkwoord 1. enkelvoud tegenwoordige tijd van natten 2. gebiedenwijs van natten Verwante...

Lees verder
2018
2022-01-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

nat

nat - bijvoeglijk naamwoord 1. waar vloeistof op of doorheen zit ♢ denk erom, de verf is nog nat 1. een natte cel [toilet, douche, of badkamer] 2. nat tot op zijn hemd ...

Lees verder
2017
2022-01-26
Studenten

Jargon & Slang van Studenten

Nat

Nat - natuurkundig examen: hij heeft zn eerste nat gedaan.

2017
2022-01-26
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

Nat

Net als koffie en melk komt nat in verschillende uitdrukkingen voor in de betekenis 'borrel'. De bekendste is het heilige nat (zie ook heilige). Deze borrel naam dateert waarschijnlijk uit het begin van de 19de eeuw en wordt ook nu nog volop gebruikt. Zo schreef een Amsterdamse informant: Wij gebruiken de uitdrukking vooral wanneer er bij het insch...

Lees verder
1998
2022-01-26
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Nat

1 dat is niet gepiest en toch-, dat is niet gering, gortig. Vaak als terechtwijzing. Vermeld door het WNT zonder vindplaats; en door Endt en Frerichs, met als voorbeeld: ‘Mijn moeder had 18. kinderen. Ik twee. Niet gepiest en toch nat.’ I.p.v. gepiest ook schertsend gepezen. Jij zit knijp omdat je voor ’n halfmiljoen an matterialen heb geïnd op een...

Lees verder
1997
2022-01-26
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

nat

zie stikken.

1991
2022-01-26
Lesbotaal Lexicon (1991)

Lesbiaans : lexicon van de lesbotaal (1991). Geschreven door Kunst, Hanneke, en Xandra Schutte.

Nat

Nat - i) lustvocht. Zie ook creme de flamous. 2) in nat worden, zijn, geil, opgewonden raken, zijn. 3) glibberig, smeuïg of soppi. Zie ook uit de broek glijen, drijven, geil, het overstroomde land, pakje boter, smelten, soppen, daar springen de tranen van in mijn broekje, daar zakt m’n tampon van op mijn sokken en zwembad.

Lees verder
1973
2022-01-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

nat

I. bn. (-ter, -st), 1. vloeibaar, niet droog, niet vast: natte en droge waren; de verf is nog natte mest; (waterstaat) een natte dijk, buitendijk; het natte strand, gedeelte dat bij vloed onder water loopt; profiel, gedeelte van het dwarsprofiel van een rivier, kanaal, sluis enz. dat door het water wordt ingenomen; 2. regenachtig, vochtig, niet dr...

Lees verder
1964
2022-01-26
voornamen

Voornamenboek

Nat

m -> Nathaniël (Eng.).

1952
2022-01-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Nat

1. s.n., wiet (it), wiet(t)ens, wiette, fochte (de). 2. adj., wiet; — maken, biwietsje, bieaz(j)e; met -te voeten, wietfoets; met -te voeten over de vloer lopen, (fuot)wâdzje; een — pak halen, in snoek fange; aanhoudend — zijn, (van het weer), wietsje; één pot...

Lees verder
1950
2022-01-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Nat

I. bn. (-ter, -st), 1. vloeibaar, niet droog, niet vast: natte en droge waren; de verf is nog nat; natte mest; (plat) zo nat als stront; — (waterst.) een natte dijk, buitendijk; het natte strand, gedeelte dat bij vloed onder water loopt; nat profiel, gedeelte van het dwarsprofiel van een rivier, kanaal, slui...

Lees verder
1937
2022-01-26
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

nat

I. bn.; natter, natst (1 vloeibaar, niet droog, niet vast: 2 bevochtigd, vochtig; 3 regenachtig, niet helder, niet droog): 1. natte waren, z. ald.; de verf is nog nat; 2. zo nat als e. kat: natte omslagen: nat maken: 3. de natte moesson; zie droog, gemeente 3, vinger; II. o. (vloeistof, vocht): in het nat plassen: voor nat te bewaren; er valt zegs...

Lees verder
1898
2022-01-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Nat

Het begrip nat heeft 2 verschillende betekenissen: 1. nat - bn. (-ter, -st), vochtig, doortrokken met, gedrenkt in eene vloeistof : eene natte spons; hij is bang natte voeten te krijgen; het natte goed drogen; zoo nat als eene kat, door en door nat; (fig.) met een nat zeil thuis komen, dronken; — hij is van de natte gemeente, houdt van een b...

Lees verder