Wat is de betekenis van mond?

2020
2021-09-20
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

mond

Het begrip mond heeft 3 verschillende betekenissen: 1) holte in het hoofd. holte in het hoofd, waarmee we eten, drinken en spreken, die aan de buitenkant gevormd wordt door de lippen en die aan de binnenkant de tong en de tanden bevat. Meestal in toepassing op de mond van mensen, maar ook wel in toepassing op de bek van dieren. 2)...

Lees verder
2019
2021-09-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

mond

mond - Zelfstandignaamwoord 1. (anatomie) ingang van het spijsverteringskanaal; zowel voor de ingang zelf als de achterliggende holte gebruikt 2. (figuurlijk) opening of ingang van iets 3. (figuurlijk) een soort watergang Woordherkomst Afkomstig van het Middelnederlandse mont, verwant met het Oudnederfrankische munt, Oudhoogdu...

Lees verder
2018
2021-09-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

mond

mond - zelfstandig naamwoord 1. holte achter je lippen waarmee je eet en praat ♢ik stak een stuk brood in zijn mond 1. je moet je mond houden [niet praten] 2. met open mond keek...

Lees verder
2010
2021-09-20
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

mond

De ingang van het spijsverteringskanaal, waaromheen de lippen zitten. Ja, hoe omschrijf je anders zoiets gewoons in een woordenboek? De mond is dat wat je aan de buitenkant ervan ziet (lippen), maar het is ook dat wat erachter ligt: de mondholte, met de tong, de tanden, de kiezen en de amandelen erin. De bodem van de holte wordt gevormd door de mon...

Lees verder
1997
2021-09-20
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

mond

In het antwoordvers Watje zegt, ben je ze//komt de regel voor met een lepel in je mond. Voor meer informatie daarover zie elf, helft, koffiemelk, lepel, melk, tiet, touw, verf.

1992
2021-09-20
Symbolen

Hans Biedermann

mond

in symbolische zin niet alleen een eet- en spraakorgaan, maar ook de plaats van de levensadem. De mondopeningsceremonie bij de bijzetting van mummies in het oude Egypte (waarbij het gezicht met een vuursteenvork en een gebogen siechtbijl beroerd wordt) is een magische handeling die de gestorvene de levenskracht moest teruggeven.

1990
2021-09-20
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

mond

mond - Openingen van voorwerpen waarin met name vloeistof bewaard wordt, waardoor de inhoud de holte bereikt.

1977
2021-09-20
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

mond

mond - vr. schaamdeel. Ook: onderste tweede of met de toevoeging: zonder kies of tanden (vgl. vlees zonder beentjes, vinger zonder nagel). Het Mondje zonder Kies of Tanden, 336 Onderscheidene DrinkConditiën 4 [± 1830].Het gapende Mondje met Malsche lipjes, a.w. 9. Wanneer ik begon te denken, dat dien armen Kween, zoo ik met hem getrokke...

Lees verder
1954
2021-09-20
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Mond

stoma, de opening van de spijsverteringsorganen, door lippen en wangen begrensd, waarin zich tanden en tong bevinden.

1952
2021-09-20
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Mond

s., mûle; grote —, bek, gaffel, waffel, happert, knappert, snappert, tût, blaei(jer), snetter, tsjaffel; niet op zijn -je gevallen, mounich, bekkich; een grote — hebben, sterk boppe de skouders wêze; zijn — voorbij praten, jin forprate, forsnakke, forsnappe; naar de — p...

Lees verder
1950
2021-09-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Mond

m. (-en), 1. de door de lippen omsloten ingang van het spijsverteringskanaal, inz. bij mensen, hetzij alleen zoals zij zich van buiten vertoont of ook met gedachte aan de er achter liggende holte: een kleine, welgevormde, wijde, scheve mond; de mond vertrekken; de mond afvegen; iem. een kus op de mond geven ; een mond als een schuurdeur,...

Lees verder
1949
2021-09-20
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Mond

(1) bij de mens de door de lippen gevormde bovenste opcning van het spijsverteringskanaal, de ingang tot de mondholte, waar de spijzen, door te kauwen en met speeksel te vermengen, voor de verdere bewerking in de maag worden voorbereid; (2) (dierk.), speciaal de toegang tot de darm, voor het opnemen van voedsel meestal omgeven door slurf, vangarmen...

Lees verder
1933
2021-09-20
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Mond

(Lat.: Os), de ingang tot het spijsverteringskanaal, te onderscheiden in mondopening en mondholte. De mondopening kan meestal door spieren geopend en gesloten worden, bij den mensch en de zoogdieren door onder- en bovenlip. De mondholte wordt begrensd bij de meeste gewervelde dieren boven door het verhemelte, beneden door den mondbodem, bij den men...

Lees verder
1926
2021-09-20
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Mond

De mond is het orgaan om te spreken, en om de spijzen in ons lichaam op te nemen; op deze beide functies doelt de bekende uitspraak van Jezus: Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mensch niet, maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mensch (Matth. 15 : 11). Ook heeft mond in de Heilige Schrift de meer algemeene beteekenis van opening...

Lees verder
1916
2021-09-20
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Mond

Mond - In ruimen zin duidt men met m. aan de holte, die achter de mondspleet gelegen is en zich tot aan de keel uitstrekt. Naar voren wordt zij begrensd door de lippen, naar boven door het harde en zachte verhemelte, naar beneden door den mondbodem en naar achteren door de beide paren van verhemeltebogen, die het keelgat (isthmus faucium) begrenzen...

Lees verder
1898
2021-09-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Mond

Mond m. (-en), in meer beperkten zin de dwarsspleet die tusschen neus en kin is gelegen en omgeven is door de lippen: een kleine, welgevormde, wijde, scheeve mond; den mond vertrekken; de hoeken van den mond; den mond afvegen ; iem. een kus op den mond geven; een mond als eene schuurdeur,zeer groot; (spr.) dat gaat zoo tusschen neus en mond, tussch...

Lees verder
1898
2021-09-20
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Mond

zie Bek.

1870
2021-09-20
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Mond

Mond (Os) noemt men de door de lippen gevormde bovenste opening van het spijsverteringskanaal, den ingang tot de mondholte, waar de spijzen door ze te kaauwen en met speeksel te vermengen voor de verdere bewerking in de maag worden voorbereid. De mondholte wordt bij gesloten kaken door de beide rijen tanden verdeeld in eene voorste en achterste afd...

Lees verder