Mond
m. (-en), 1. de door de lippen omsloten ingang van het spijsverteringskanaal, inz. bij mensen, hetzij alleen zoals zij zich van buiten vertoont of ook met gedachte aan de er achter liggende holte: een kleine, welgevormde, wijde, scheve mond; de mond vertrekken; de mond afvegen; iem. een kus op de mond geven ; een mond als een schuurdeur,...