Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 31-10-2017

mond

betekenis & definitie

mond - zelfstandig naamwoord

1. holte achter je lippen waarmee je eet en praat
♢ik stak een stuk brood in zijn mond
1. je moet je mond houden
[niet praten]
2. met open mond keek hij toe
[heel verbaasd]
3. zij doet geen mond open
[ze zegt niets]
4. hij zette toch een grote mond op!
[ging ineens schelden]
5. ik heb hem de mond gesnoerd
[gezorgd dat hij ging zwijgen]
6. ik spreek een mondje Turks
[een beetje]
7. het ging van mond tot mond
[de een zei het tegen de ander]
8. zij is niet op haar mondje gevallen
[heeft altijd een antwoord klaar]
9. zij praat mij naar de mond
[zegt wat ik graag wil horen]
10. daar heeft hij de mond vol van
[hij praat er steeds over]
11. ik stond met de mond vol tanden
[wist niet wat ik moest zeggen]
12. iets met de mond belijden
[iets beweren, zonder ernaar te handelen]
13. beter hard geblazen dan de mond gebrand
[voorzichtigheid gaat voor alles]
14. bij monde van
[gezegd door]
15. geen blad voor de mond nemen
[openhartig spreken]
16. het brood uit de mond sparen
[bezuinigen op wat men eet, voor iemand anders]
17. mondje dicht!
[verzoek om iets geheim te houden]
18. van mond tot mond gaan
[rondverteld worden]
19. waar het hart vol van is, loopt de mond van over
[men praat graag over iets waar men enthousiast over is]
20. ik heb het uit zijn mond
[hij heeft het gezegd]
21. geen mond open doen
[zwijgen]
22. het schuim staat hem op de mond
[hij is woedend]
23. ik krijg er een vieze smaak van in de mond
[het voelt onplezierig]
24. ga je mond spoelen
[reactie als iemand iets lelijks gezegd heeft]
25. met de tong uit de mond
[buiten adem]
26. ergens de mond vol van hebben
[er steeds over praten]
27. het water loopt mij in de mond
[ik heb erg veel zin in dat lekkers]
28. je haalt me de woorden uit de mond
[dat had ik ook willen zeggen]

Zelfstandig naamwoord: mond
de mond
de monden
het mondje

Synoniemen
klep, smoel