Wat is de betekenis van mogen?

2019
2023-02-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

mogen

mogen - Werkwoord 1. (modl) toegestaan zijn Hij mag veel te veel. Wij mochten niet komen. Mogen zij in vrede rusten. 2. (ov) op prijs stellen Ik mag die jongen wel...

Lees verder
2018
2023-02-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

mogen

mogen - onregelmatig werkwoord uitspraak: mo-gen 1. toestemming hebben ♢ik mag vanavond naar de film 2. hem aardig vinden ♢ik mag die leraar wel 3. nodig of wenselijk z...

Lees verder
2004
2023-02-06
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

mogen

lusten: die soep mag ik niet kunnen: het offensief mag elk ogenblik verwacht worden

Lees verder
1998
2023-02-06
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Mogen

het moest niet het zou verboden moeten worden. Modieuze (schertsende) uitdr. In de jaren zeventig in zwang gekomen. Zo is het ook met carnaval op de tv. Als je ernaar kijkt bevangt je de angst dat je naar de hel vaart met Sjakie Schram als Charon. ‘Het moest niet mogen.’ (Gerrit Komrij: Horen, Zien en Zwijgen, 1977)

Lees verder
1997
2023-02-06
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

mogen

In een vroegere fase van het Nederlands bestonden er verwensingen met het werkwoord mogen die uitdrukking gaven aan een bepaalde wens of een verlangen van de spreker. Vaak waren zij elliptisch geconstrueerd. In het wnt vinden wij o.a. (a) “Je meucht de moort” ‘stik de moord’; (b) “Dat mag je de duivel!” &l...

Lees verder
1981
2023-02-06
Zuidnederlands Woordenboek

Schrijver op Ensie

mogen

1. Als gall. (ter vert. van fr. pouvoir), in toep. waar de standaardt. kunnen gebruikt. Het gaat niet zonder stotteren, want wanneer hij iets te zeggen heeft, kan hij het in zijn haast niet ordelijk rangschikken, en de woorden struikelen overeen. Hij mocht beter zwijgen meent Toontje al, TEIRLINCK 1952, 2, 10. Zijn idee was, dat het...

Lees verder
1963
2023-02-06
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

mogen

(mocht, heeft gemogen), (ook:) in zijn goed recht zijn, gelijk hebben. Het is mijn ding , buitendien ik mag, ik ben zout, ik ben peper ik ben groot. Ik mag (Vianen 1972: 111). - Etym.: In AN alleen in de retorische vraag: Mag ik? - Opm.: De uitdr. 'ik ben zout enz.’ in het cit. is vertaald Sranan (mi bigi mi pepre mi sowtoe) en bet. &l...

Lees verder
1952
2023-02-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Mogen

v., meije, m o c h t, m o c h t (m e ij e n); iets, iem. graag —, eat, immen (lije) meije; iem. niet —, net oer immen meije; iem. beslist niet —, immen net rûke meije, immen net snuven, hearre meije; ik mag hem niet, hy is myn man(tsje) net.

1951
2023-02-06
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Mögen

zin, lust hebben; lusten, houden van; Sie mögen recht haben, u kunt gelijk hebben; er mochte vierzig Jahre alt sein, hij was misschien veertig jaar; das möchte ich kaufen, dat zou ik graag willen kopen; das möchte schwer zu beweisen sein, dat is, dunkt me, moeilijk te bewijzen; Sie möchten hereinkommen, of U binnen wou komen; ic...

Lees verder
1950
2023-02-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Mogen

(mag, mocht, heeft gemoogd), 1. vermogen, tot iets in staat zijn: er zijn mogen, voor den dag kunnen komen, kunnen mededingen; — 2. van iets of iem. houden: zo iets mag ik horen; ik mag wel een grapje; — iem. (iets) mogen lijden ; ik mag hem niet; — denk je dat zo iets kan? het mocht wat, er is g...

Lees verder
1937
2023-02-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

mogen

onr. mocht, heeft gemoogd; 1. iets vermogen, tot iets in staat zijn inz. in zegsw.: er zijn mogen; voor den dag kunnen komen; 2. kunnen: zijn luiheid was te groot geweest, dan dat hij bevordering had mogen verwachten; 3 het recht, de vrijheid, het verlof hebben: nu mag men de grenzen weer passeren; 4. van iets houden; in toepassing op spijs en dran...

Lees verder
1930
2023-02-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

mogen

('mo:gən) (mag, mogen; mocht; heeft gemoogd, gemogen, gemocht) 1. tot iets in staat zijn, vermogen, vooral in de uitdrukking: er zijn -, voor de dag kunnen komen, kunnen mededingen. →: Joost. 2. kunnen: men mag op hem rekenen; dat mocht niet baten; het mocht niet zo zijn. 3. verlof hebben tot: wij meegaan, moeder? hij mocht niet van zij...

Lees verder
1898
2023-02-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Mogen

Mogen (mag, mocht, gemoogd), verlof hebben, vrijheid, het recht hebben om iets te doen: de Eerste Kamer moet eene wet in haar geheel aannemen; zij mag er geen veranderingen in brengen; hij mag doen wat hij wil; wij mogen vandaag uitgaan; ik mag geen spek eten, het is mij verboden; — hier mag niet gerookt worden, het rooken is verboden; &mdas...

Lees verder
1864
2023-02-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Mogen

Mogen, ow. onr. (ik mogt, heb gemogt of heb mogen), kunnen, in staat zijn (tot); de bevoegdheid -, het regt hebben (tot); durven; lusten; ik mag het lijden, ik heb er niets tegen. *-D, bn. vermogend, magthebbend; (eert.) hoog -e, edel -e (titels). *-DHEID, v. (...heden), staat, rijk; de souverein met zijn rijk en zijne regering; de groote mogendhe...

Lees verder