Laatst
bn. en bw., I. bn., 1. in tijdsorde achterste,, die of dat een opeenvolging in de tijd sluit, door geen ander, door niets meer gevolgd wordt: de laatste maal; de laatste dag van het jaar; met de laatste post; op het laatste ogenblik, toen het net nog kon; dit is mijn laatste woord, meer zeg ik er niet van; (ook) verder...