Wat is de betekenis van Kak?

2022
2022-08-16
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

kak

1) (14e eeuw) (inf.) uitwerpselen, faeces, stront. ‘Aan de kak raken (lopen)’: diarree hebben. Bij de 17e eeuwse schrijver Salomon van Rusting lezen we al: “Een Polak, die liep gedurig aen de kak’. ‘Kak krijgen’: de aandrang voelen om zich te ontlasten. • Overschopt, de tanden uit hun mond geslagen, de broek...

Lees verder
2019
2022-08-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kak

kak - Zelfstandignaamwoord 1. (informeel) ontlasting 2. (figuurlijk), (informeel) arrogantie kak - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kakken ♢ Ik kak 2. gebiedende wijs van kakken kak! 3. (bij inversie) tweede persoon e...

Lees verder
2018
2022-08-16
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kak

kak - zelfstandig naamwoord 1. onverteerd voedsel dat via je anus naar buiten komt ♢ de wc was erg vies: er zat allemaal kak aan de rand van de pot 1. dat komt gelijk kak [het gaat vanzelf] ...

Lees verder
2017
2022-08-16
Studenten

Jargon & Slang van Studenten

Kak

Kak - Leidse kak, kale kak: loze pretentie, verwaandheid.

2014
2022-08-16
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

kak

1. kouwe drukte: Kom knul ... maak niet zo’n kak. Is dit genoeg? P. Paul 93;2. kak hebben aan, lak hebben aan: Aan hem mot je kak hebben. Zo gauw als ie wat aan de koters gelegen laat gelegen liggen, heeft ie recht om zijn waffel open te doen, SMIS2 130.

Lees verder
2007
2022-08-16
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

kak

verwaande, pretentieuze mensen. Punk, kak, ik vind het leuk om met mensen uit allerlei milieus in aanraking te komen. (Club, juli 1988)

Lees verder
1998
2022-08-16
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Kak

1. in uitdr. als kale kak; Leidse kak(in studentenkringen); Haagse kak; Kralingse kak(in de Rotterdamse volkstaal); kouwe kakenz.: verwaandheid, dikdoenerij, pretentie. Ook kak op zijn lijf hebben. Nou maak niet zo’n kale kak... (Herman Heijermans: Kamertjeszonde, 1898, herdruk 1966) Zoveel Leidse kak maakte zelfs een baron Van Kraayenhof en Edo B...

Lees verder
1997
2022-08-16
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

kak

Naast de leenwoorden shit, merde en Scheisse wordt in Vlaanderen steeds meer het puur Nederlandse kak! gebruikt om ergernis, woede, ongeloof en andere frustratie aan te duiden. Het werd in elk geval opgegeven door correspondenten uit Sint-Pieters-Leeuw, Turnhout, Mol, Grimbergen en Hechtel. zie racekak.

Lees verder
1973
2022-08-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kak

m., 1. behoefte, drek; 2. (fig.) iets verachtelijks, onbeduidends; 3. bluf, praats: wat een kale, koude —, wat een beweging, drukte, branie.

Lees verder
1950
2022-08-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kak

m., (plat) 1. drek (iets minder plat dan stront); — (zegsw.) er is kak aan de knikker, die zaak is niet pluis; er is onraad ; — (fig.) iets verachtelijks, onbeduidends; 2. het kakken; 3. behoefte om af te gaan : grote kak hebben; — (zegsw.) kak of geen kak, toch op de pot, je moet of je wil of niet; &...

Lees verder
1937
2022-08-16
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kak

m. (behoefte; mensendrek; overdr. iets verachtelijks; bluf, praats enz.).

1925
2022-08-16
Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Kak

Dit znw. komt in veel platte uitdrukkingen voor: uit de beteekenis iets verwerpelijks, verachtelijks, is voortgevloeid die van drukte in kak (of kakkie) maken of hebben; veel kaks aanhebben, van een zaak die veel drukte veroorzaakt (Waasch Idiot 319); [i]veul kak maken, veul kak over hem hebben (Antw. Idiot...

Lees verder
1898
2022-08-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kak

KAK, m. (plat) menschendrek, uitwerpsel; (fig.) behoefte om af te gaan : grooten kak hebben; — (fig.) (plat) met kak loopen, in verlegenheid zitten; komen gelijk kak, van zelf komen; hij zal zijn kak wel ophouden, zijn plannen wel niet uitvoeren ; (plat) er is kak aan den knikker, die zaak is niet pluis; — kak maken, drukte, brani make...

Lees verder