Hol
bn. bw. (-Ier, -st.), 1. inwendig een ledige ruimte hebbende : een holle boom ; een holle berg ; een hol vat; holle buizen ; holle steen, die niet massief is ; — (ontl.) de holle aders, twee grote bloedvaten die uitmonden in de rechter boezem van het hart (venae cavae); — een holle vlo...