Hebben
(heeft, had, heeft gehad), I. als zelfst. ww., 1. bezitten: hij heeft een eigen huis; ’t is wel mooi, maar ik zou het toch niet willen hebben; geld hebben, rijk zijn; al iemands hebben en houden, al wat hij bezit; — (zegsw.) hebben is hebben, maar krijgen is de kunst, zalig zijn de bezitters; — gehad is een arm man,...