Wat is de betekenis van Geven?

2024-02-24
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

geven

geven - Werkwoord 1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders 2. aanbieden 3. opleveren, veroorzaken Woordherkomst Etymologisch verwant met gaaf en gift, het Oudsaksische en Oudhoogduitse geban, Gotisch giban, Iers gabim, Litouwse gabenù. Synoniemen [1] schenken, doneren [2] aanreiken Antoniemen neme...

2024-02-24
Bijbels Lexicon

Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart (2017)

Geven

Het is zaliger of beter te geven dan te ontvangen, men is uiteindelijk beter af als men veel weggeeft dan als men rijkdom verwerft. In Handelingen 20:35 bepleit Paulus onbaatzuchtigheid en de zorg voor de zwakken. Hij citeert daarbij Jezus, die gezegd zou hebben: ‘Het is zaliger te geven dan te ontvangen’ (NGB-vertaling; in de NBVluidt de uitspraak...

2024-02-24
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

geven

geven - onregelmatig werkwoord uitspraak: ge-ven 1. aanreiken, in zijn handen plaatsen ♢ geef mij die schaal eens 1. dat is te geef! [spotgoedkoop] 2. aan ieman...

2024-02-24
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

geven

Ook: delen. Het verdelen van de 52 kaarten over de vier spelers aan het begin van elk spel.

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-24
Golfsportwoordenboek

Jan Luitzen (2009)

geven

(ov ww; gaf; h. gegeven) - aan de tegenstander afstaan (gunnen) van een volgende slag (meestal een korte putt), of van een hole of wedstrijd die nog niet is afgemaakt, syn. concede

2024-02-24
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

geven

zie verstek.

2024-02-24
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

geven

Als een jood een hekel had aan iemand kon hij hem toevoegen God geve je veel personeel! Vgl. Van Eijk (1995:136). Veel personeel betekent veel zorgen. De emotionele betekenis duidt op minachting, afkeer e.d. en kan het best weergegeven worden met ‘ik heb een hekel aan je’.

2024-02-24
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

geven

: iets geven (gaf, heeft gegeven), 1. (i.h.a.) iets opleveren, van nut zijn. Zal ik nog langer blijven wachten, dacht Marrie, het geeft niets vanavond (Doelwijt 1972b: 144); Marrie is een hoer die in een café op klanten wacht. 2. (i.h.b., van vruchtbomen e.d.) vrucht dragen. Die boom geeft veel.

2024-02-24
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Geven

v., jaen, j o e c h, j o w n; — en nemen, nimme en jaen; ik geef het je te doen, ik set it dy; (een bijdrage) voor, jaen ta; ieder het zijne —, elk lyk en rjocht dwaen; ik geef er niets om, ik tel it gjin byt.

2024-02-24
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

geven

gaf, h. gegeven (1 aangeven; aanreiken; in iems. nabijheid plaatsen, zodat hij er over kan beschikken; 2 bezorgen, verstrekken, verschaffen; 3 iem. iets toekennen, toeschrijven; aannemen, dat iets bij hem aanwezig is; 4 verschaffen, opleveren, voortbrengen; veroorzaken; 5 schenken: verlenen als een gunst, als iets, waarop de ontvanger eig. geen aan...

2024-02-24
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

geven

('ge:vən) (gaf, gaven; heeft gegeven) 1. aanreiken : iemand een boek, zijn gereedschap -; geef hem een stoel ;geef mij een bord soep. Gez. iemand er van langs-, iemand slaag geven of hem de les lezen ; iets er aan [aan de duivel], het niet meer willen doen ; zich het er van -, zich te goed doen. → bliksem, broek, brood, brui, donder, dr...

2024-02-24
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

geven

(gaf, heeft gegeven), (overg.) 1. iets aangeven, aanreiken of in iemands nabijheid plaatsen: iemand een glas water een boek te lezen -; iemand iets op zijn brood -, het hem inpeperen, hem ervoor straffen; iemand van de taart, van de lat of hem ervan langs -, hem berispen, hem de les lezen; (fig.) iemand de volle laag —, hem met verwijten over...

2024-02-24
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Geven

GEVEN, (gaf, heeft gegeven), iets aangeven, aanreiken of in iemands nabijheid plaatsen: iem. een glas water geven; hij gaf mij een stoel; geef mij wat van den pudding; een boek te lezen geven; hij gaf zijn koffertje aan het station in bewaring; — iem. iets op zijn brood geven, hem van de taart geven (ook van de lat geven, of hem er van langs...

2024-02-24
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Geven

Geven, bw. ong. (ik gaf, heb gegeven), ter hand stellen, toe-, overreiken; schenken, een geschenk aanbieden; opleveren, voortbrengen; gehoor -, ontvangen, bij zich toelaten; gehoor - aan, letten op, aan eenig verlangen voldoen; geloof - (hechten, slaan); eenen zucht - (slaken); den geest -, sterven, den laatsten adem uitblazen; raad -, raden; reken...