Wat is de betekenis van geven?

2019
2023-02-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

geven

geven - Werkwoord 1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders 2. aanbieden 3. opleveren, veroorzaken Woordherkomst Etymologisch verwant met gaaf en gift, het Oudsaksische en Oudhoogduitse geban, Gotisch giban, Iers gabim, Litouwse gabenù. Synoniemen [1] schenken, doneren [2] aanreiken Antoniemen neme...

Lees verder
2018
2023-02-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

geven

geven - onregelmatig werkwoord uitspraak: ge-ven 1. aanreiken, in zijn handen plaatsen ♢ geef mij die schaal eens 1. dat is te geef! [spotgoedkoop] 2. aan ieman...

Lees verder
2009
2023-02-05
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

geven

(ov ww; gaf; h. gegeven) - aan de tegenstander afstaan (gunnen) van een volgende slag (meestal een korte putt), of van een hole of wedstrijd die nog niet is afgemaakt, syn. concede

2004
2023-02-05
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

geven

zie verstek.

2000
2023-02-05
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Geven

Het is zaliger of beter te geven dan te ontvangen, men is uiteindelijk beter af als men veel weggeeft dan als men rijkdom verwerft. In Handelingen 20:35 bepleit Paulus onbaatzuchtigheid en de zorg voor de zwakken. Hij citeert daarbij Jezus, die gezegd zou hebben: ‘Het is zaliger te geven dan te ontvangen’ (NGB-vertaling; in de NBVluidt de uitspraak...

Lees verder
1998
2023-02-05
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

geven

Ook: delen. Het verdelen van de 52 kaarten over de vier spelers aan het begin van elk spel.

Lees verder
1997
2023-02-05
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

geven

Als een jood een hekel had aan iemand kon hij hem toevoegen God geve je veel personeel! Vgl. Van Eijk (1995:136). Veel personeel betekent veel zorgen. De emotionele betekenis duidt op minachting, afkeer e.d. en kan het best weergegeven worden met ‘ik heb een hekel aan je’.

Lees verder
1973
2023-02-05
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

geven

(gaf, heeft gegeven), (overg.) 1. iets aangeven, aanreiken of in iemands nabijheid plaatsen: iemand een glas water een boek te lezen -; iemand iets op zijn brood -, het hem inpeperen, hem ervoor straffen; iemand van de taart, van de lat of hem ervan langs -, hem berispen, hem de les lezen; (fig.) iemand de volle laag —, hem met verwijten over...

Lees verder
1963
2023-02-05
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

geven

: iets geven (gaf, heeft gegeven), 1. (i.h.a.) iets opleveren, van nut zijn. Zal ik nog langer blijven wachten, dacht Marrie, het geeft niets vanavond (Doelwijt 1972b: 144); Marrie is een hoer die in een café op klanten wacht. 2. (i.h.b., van vruchtbomen e.d.) vrucht dragen. Die boom geeft veel.

Lees verder
1952
2023-02-05
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Geven

v., jaen, j o e c h, j o w n; — en nemen, nimme en jaen; ik geef het je te doen, ik set it dy; (een bijdrage) voor, jaen ta; ieder het zijne —, elk lyk en rjocht dwaen; ik geef er niets om, ik tel it gjin byt.

1937
2023-02-05
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

geven

gaf, h. gegeven (1 aangeven; aanreiken; in iems. nabijheid plaatsen, zodat hij er over kan beschikken; 2 bezorgen, verstrekken, verschaffen; 3 iem. iets toekennen, toeschrijven; aannemen, dat iets bij hem aanwezig is; 4 verschaffen, opleveren, voortbrengen; veroorzaken; 5 schenken: verlenen als een gunst, als iets, waarop de ontvanger eig. geen aan...

Lees verder
1930
2023-02-05
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

geven

('ge:vən) (gaf, gaven; heeft gegeven) 1. aanreiken : iemand een boek, zijn gereedschap -; geef hem een stoel ;geef mij een bord soep. Gez. iemand er van langs-, iemand slaag geven of hem de les lezen ; iets er aan [aan de duivel], het niet meer willen doen ; zich het er van -, zich te goed doen. → bliksem, broek, brood, brui, donder, dr...

Lees verder
1898
2023-02-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Geven

GEVEN, (gaf, heeft gegeven), iets aangeven, aanreiken of in iemands nabijheid plaatsen: iem. een glas water geven; hij gaf mij een stoel; geef mij wat van den pudding; een boek te lezen geven; hij gaf zijn koffertje aan het station in bewaring; — iem. iets op zijn brood geven, hem van de taart geven (ook van de lat geven, of hem er van langs...

Lees verder
1864
2023-02-05
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Geven

Geven, bw. ong. (ik gaf, heb gegeven), ter hand stellen, toe-, overreiken; schenken, een geschenk aanbieden; opleveren, voortbrengen; gehoor -, ontvangen, bij zich toelaten; gehoor - aan, letten op, aan eenig verlangen voldoen; geloof - (hechten, slaan); eenen zucht - (slaken); den geest -, sterven, den laatsten adem uitblazen; raad -, raden; reken...

Lees verder