Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

geven

betekenis & definitie

geven - onregelmatig werkwoord
uitspraak: ge-ven

1. aanreiken, in zijn handen plaatsen
♢ geef mij die schaal eens
1. dat is te geef!
[spotgoedkoop]
2. aan iemand overhandigen die het mag houden
♢ hij gaf mij een doos bonbons toen ik jarig was
3. zorgen dat het iets oplevert
♢ die kinderen geven veel overlast
1. dat geeft niets!
[dat is niet erg]
4. van iets of iemand houden
♢ ik geef niet om vis
5. een vak onderwijzen
♢ Janneke geeft Nederlands

Algemene uitdrukkingen:
1. de dokter gaf mij het advies minder te roken
[hij adviseert het mij]
2. hij geeft gas
[drukt op het gaspedaal van de auto]
3. zij geeft te kennen dat ze weg wil
[ze zegt het]
4. ik geef hem een teken dat hij moet stoppen
[ik maak een gebaar]
5. jij moet het goede voorbeeld geven
[jij moet je goed gedragen]
6. ik heb hem zijn zin gegeven
[hij mocht doen wat hij wilde doen]
7. mag ik u het woord geven?
[wilt u nu iets zeggen?]
Onregelmatig werkwoord: ge-ven
ik geef
jij/u geeft
hij/zij geeft
wij/zij/jullie geven
ik/jij/u/hij/zij gaf
wij/zij/jullie gaven
hij heeft gegeven
de/het/een gegeven ....
gevend, gevende

Synoniemen
afstaan, doneren, schenken, toereiken, verstrekken, weggeven

Tegenstellingen
afnemen, afpakken, binnenkrijgen, incasseren, krijgen, ontnemen, ontvangen, verkrijgen