Wat is de betekenis van dwaas?

2019
2022-08-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

dwaas

dwaas - Zelfstandignaamwoord 1. (scheldwoord) iemand die onverstandig denkt en/of handelt De dwaas maakte veel lawaai op de markt dwaas - Bijvoeglijk naamwoord 1. onverstandig, gek De dwaze man deed veel onverstandige dingen zoals schelden...

Lees verder
2018
2022-08-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

dwaas

dwaas - bijvoeglijk naamwoord 1. waar je om moet lachen ♢ hij doet altijd zo dwaas! 2. wie een gebrek aan gezond verstand heeft ♢ het is nogal dwaas om zomaar in de gracht te springen ...

Lees verder
2007
2022-08-18
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

dwaas

iemand die zich dwaas gedraagt. ‘Sta! gij dwaas!’ zeide de Pater, hem met eene forsche vuist terug houdende: ‘gij zijt immers te ver gegaan om terug te krabben.’ (Jacob van Lennep, De pleegzoon, 1833) Een oprechte dwaas moet niet hopen dat hij triomfeert alleen maar omdat hij oprecht is. (Gerrit Komrij, Verzonken boeken, 19...

Lees verder
1973
2022-08-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Dwaas

I. bn. enbw. (dwazer, -t), 1. (van personen) zonder verstand, onverstandige, ergelijke of gekke dingen doend of zeggend: de wijze en de dwaze maagden; dwaze ouders; ben je dwaas?, antwoord om een uiting of voornemen met kracht te verwerpen; je zult toch zo dwaas niet zijn (dat je het doet); tussen mal en dwaas zijn, in de bakvisjaren; (van woorden,...

Lees verder
1952
2022-08-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Dwaas

1. s., dwaes, wanwize, gek, malappe. 2. adj. & adv., dwaes, mâl, ûnwiis wanwiis, sljocht, sinleas; zich aanstellen, healwiizje; dwaze jongen, sljochtmis.

Lees verder
1950
2022-08-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Dwaas

I. bn. bw. (dwazer, -t), 1. (van personen) zonder verstand, onverstandige, ergerlijke of gekke dingen doend of zeggend: de wijze en de dwaze maagden; dwaze ouders-, ben je dwaas? antwoord om een uiting of voornemen met kracht te verwerpen; je zult toch zo dwaas niet zijn (dat je het doet); — tussen mal en dwaas zijn,...

Lees verder
1937
2022-08-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

dwaas

I. bn., bw.; dwazer, dwaast (1 zot, gek; 2 Z.-N. dom; 3 Z.-N. suf): 1. een dwaze mode, een dwaze liefde; dwaas genoeg van je! wees niet zo dwaas! dwaas handelen; de ene deed al dwazer dan de andere; hij deed allerdwaast; 2. Z.-N. dwaas als een ekster, een kalf; 3. Z.-N. met een dwaas hoofd opstaan; II. m. en v. dwazen (zot, gek, dwaze mens; iem....

Lees verder
1898
2022-08-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Dwaas

DWAAS, bn. bw. (dwazer, -t), (van woorden, handelingen) wat aan iemands verstand doet twijfelen, onverstandig, zot: een dwaas gedrag; dwaze woorden; dwaas handelen; — (van personen) die onverstandige, gekke dingen doen of zeggen, (ook) die een wonderlik uiterlijk hebben; dc wijze en de dwaze maagden; wat voor een dwazen vent had je daar bij j...

Lees verder