Wat is de betekenis van broek?

2020
2021-02-28
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

broek

Het begrip broek heeft 2 verschillende betekenissen: 1) kledingstuk voor het onderlichaam. kledingstuk dat het onderlichaam bedekt en met een rits en knoop of een reeks knopen om het middel sluit en dat uitloopt in twee pijpen. 2) stuk moerassig land. stuk moerassig land; stuk laaggelegen land dat soms onder water komt te staan.

Lees verder
2019
2021-02-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

broek

broek - Zelfstandignaamwoord 1. (kleding) een kledingstuk met twee afzonderlijke pijpen voor beide benen Ook bij de elegante, wijde pantalons met korte jasjes die de afgelopen week voortdurend voorbij kwamen op de catwalks in Milaan en Parijs – het moet raar lopen, wil de broek met rechte, wijde pijp...

Lees verder
2018
2021-02-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

broek

broek - zelfstandig naamwoord 1. kledingstuk met twee pijpen dat om je benen en je billen zit ♢ ze draagt een broek als het koud is 1. een pak voor zijn broek krijgen [klappen tegen zijn achterwerk] ...

Lees verder
2017
2021-02-28
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Broek

Broek - 'aan de (iemands) broek hangen': in iemands wiel zitten, niet lossen. Vgl. Fr. coller; Eng. to sit in. We kregen in de kopgroep een bord te zien: Anquetil op één minuut. Beneden zag je hem steeds lager bij de jongens aan de broek hangen. - Gijs Zandbergen, Alleen op kop (1980) 'Voor een broek en een trui (shirt) fietsen': tegen een zeer la...

Lees verder
2009
2021-02-28
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

broek

(de; -en) - bij het wielrennen gedragen, nauwsluitend bovenkledingstuk met twee pijpen ter bedekking van de (boven)benen en het onderlijf, van isolerend materiaal gemaakt, al dan niet voorzien van elastische zeem ter bescherming van het kruis en van geïntegreerde bretelbanden, syn. koers- broek, wielerbroek: de ‘snelle’ broek voor wielrenners is si...

Lees verder
1998
2021-02-28
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Broek

zie ook dun door de broek lopen; deeigen broek op kunnen houden; achter de gebreide broek kruipen; de grote broek aantrekken; de houten broek; mengele broek en (een)pintje billen. 1. - no bil,in Rotterdam een scheldwoord voor een mager iemand. 2. - uiten palen laaien,zie palen laaien. 3. daar zakt mijn - van af,dan ben ik sprakeloos, stomverbaasd,...

Lees verder
1997
2021-02-28
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

broek

Mullebrouck (1984) geeft de verwensing kus mijn broek! Het zou wellicht te overwegen zijn om in broek (‘datgene wat een achterwerk bedekt’) een metoniem te zien van aars. De emotionele betekenis van de verwensing duidt op minachting, ergernis enz. Zij blijft beperkt tot Vlaanderen. De twee eerste regels van een verw...

Lees verder
1994
2021-02-28
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Broek

Broek, Hans van den, Nederlands politicus, *11.12.1936 Parijs. Van den Broek studeerde rechten aan de Rijksuniversiteit in Utrecht. Van 1965-1968 was hij advocaat in Rotterdam. Daarna kwam hij in dienst bij de Enka in Arnhem: directie-secretaris (1969-1973) en commercieel manager (1973-1976). Hij was ook actief in de politiek: lid van het dagelijks...

Lees verder
1990
2021-02-28
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

broek

broek - Bovenkleding met twee pijpen ter bedekking van het onderlijf, vanaf taille of heup tot boven de knie of langer.

1976
2021-02-28
Gerben Abma

Encyclopedie van het hedendaagse Friesland (1976)

BROEK

(Fr. idem) Streekdorp in Doniawerstal, ten N.W. van Joure aan Joustervaart waarvan het inwonertal tussen 1954 en 1973 met plm. 25 % is gedaald. Klokkestoel. Bevolking: (1954) 320; (1959) 302; (1964) 287; (1969) 246; (1973) 239.

Lees verder
1973
2021-02-28
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Broek

Broek - Bazon, Duits schrijver, *2.6.1936 Stolp (Pommeren). Broek zat van 1945-48 in een interneringskamp. Hij studeerde daarna in Hamburg, Frankfort en Zürich. Van 1960—61 was hij hoofddramaturg in Luzern. Sedert 1965 is hij docent voor de niet-informatieve esthetiek in Hamburg. Broek noemt zichzelf een schrijver zonder litteratuur. N...

Lees verder
1971
2021-02-28
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Broek

Broek - 1. → Losse broek. 2. Ook broeking, linnen of zeildoekse band om de hijs van een vlag, waarin een eindje touw is vastgenaaid dat aan de vlaggelijn kan worden bevestigd.

1958
2021-02-28
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

BROEK

a. (Fr.: De Ikkerwâldster Broek), volkrijke buurt onder Akkerwoude. Ontstaan op af- en uitgeveende grond. Chr. geref. kerk; openb. lagere en een bijz. lagere school. Gedenksteen herinnert aan de eerste doop door een groep mormonen (19de eeuw);b. streekdorp in Doniawerstal, N.W. van Joure aan de Joustervaart (315 inw.). Aan de verdwenen kerk m...

Lees verder
1954
2021-02-28
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Broek

1. (bodemk.) Laag en vochtig tot dras gebied, dat oorspronkelijk meestal bebost is geweest (elzen). Later meestal tot grasland ontgonnen. De naam b. komt nog in vele perceelsnamen voor. Synoniem: goor.2. (bosb.) In de bosexploitatie noemt men b. het ondereinde van een boomstam, voor zover dit in de grond heeft gezeten en waarvan de wortels zijn weg...

Lees verder
1939
2021-02-28
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Broek

Vervolmaking van vijgenbladkultuur.

1933
2021-02-28
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Broek

Broek - 1° Kleedingstuk, reeds gebruikt in de Oudheid, → Bracae. 2° De bilspieren bij paard of rund; ook het deel van het paardentuig, dat om het gelijknamig lichaamsdeel ligt.

Lees verder
1916
2021-02-28
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Broek

Broek - 1) De bilspieren van het paard. Deze spieren moeten in hoofdzaak de kracht produceeren, waardoor het lichaam vooruit gebracht moet worden. Bij het paard voor snelle gangen is snelheid een eerste vereischte, bij het trekpaard meer groote kracht. In verband hiermede wenscht men bij het rij- en rijtuigpaardtype lange en goed ontwikkelde bilspi...

Lees verder
1914
2021-02-28
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

broek

broek - v. moerassig land.

1908
2021-02-28
Vivat

Schrijver op Ensie

Broek

1) Kleedingstuk ter bedekking van beenen en onderlijf. 2) Het onderlijf van vee: een koe met schoone broek, goedgebroekte koe, enz. 3) Het deel van een paardetuig, waardoor het paard steun heeft wanneer het een wagen van een helling rijdt. 4) Scheepsterm: in het algemeen een bekleeding met zeildoek; ook de rondte van sommige zeilen. 5) Krijgskunde:...

Lees verder
1898
2021-02-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Broek

Het begrip broek heeft 3 verschillende betekenissen: 1. broek - BROEK, v. (-en), kleedingstuk over de beenen en het onderlijf inz. eene bovenbroek voor jongens en mannen; een jongen in de broek steken, hem voor ’t eerst eene broek aan geven; — eene lange en eene korte broek; voor vrouwen kwamen de broeken eerst in de 17de eeuw hier in z...

Lees verder