Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

broek

betekenis & definitie

broek - zelfstandig naamwoord

1. kledingstuk met twee pijpen dat om je benen en je billen zit
♢ ze draagt een broek als het koud is
1. een pak voor zijn broek krijgen
[klappen tegen zijn achterwerk]
2. een broekje
[een jong en onervaren iemand]
3. dat zal je dun door de broek lopen
[lelijk tegenvallen]
4. de broek aan hebben
[de baas zijn]
5. iemand achter de broek aan zitten
[hem voortdurend aanmanen]
6. daar zakt mijn broek van af
[verontwaardigde, verbaasde reactie]
7. het loopt hem dun door de broek
[hij is erg bang]
8. het in je broek doen
[in je broek plassen of poepen]
9. hij heeft geen broek aan zijn gat
[is erg arm]
10. een proces aan je broek krijgen
[het moeten voeren]
11. je eigen broek op kunnen houden
[onafhankelijk zijn]

Zelfstandig naamwoord: broek
de broek
de broeken
het broekje