Wat is de betekenis van aarts-?

2019
2022-10-02
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aarts-

aarts- - Voorvoegsel 1. ter aanduiding dat de door het tweede lid genoemde hoedanigheid in hoge mate geldt 2. belangrijkste, voornaamste, hoogste in een bepaalde orde, belangrijkste of oudste persoon van een bepaalde groep

Lees verder
2018
2022-10-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aarts-

aarts- - woorddeel 1. versterkt het woord dat erachter staat ♢ aartslui = heel erg lui Woorddeel: aarts- Synoniemen door-, hyper-, in-, over-, super-, ultra-

Lees verder
1994
2022-10-02
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Aarts-

[Gr. archi-= eerste] uit de oude tijd (aartsvader); eerste in rang (aartsbisschop); in hoge mate (aartslui).

1955
2022-10-02
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

AARTS-

(Gr.: archi, opper-) wordt als voorvoegsel in de kerkelijke titulatuur aangewend voor hogere rangen (bijv. aartsbisschop, aartsabt, aartsbroederschap, aartsbasiliek). Ook in de Bijbel treffen we enkele samenstellingen met aartsaan, nl. aartsengel en aartsvader.

1949
2022-10-02
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Aarts-

(v. Gr. archi, beheersend, opper-...), voorvoegsel dat op hogere rang, vooral bij relig. personages of kerkel. functies, wijst (aartsengel, aartsbisschop), id. ook in wereldl. titulatuur (aartshertog), of de waarde heeft van verslechterende bijbetekenis (aartsdief, aartsleugenaar).

1947
2022-10-02
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

Aarts-

voorvoegsel, van het Griekse archi-, dat beheersend, opper-. . . betekent en in die zin in het kerklatijn voor hiërarchisch hogere rangen werd toegepast, vindt ook in modern Nederlands aanwending 1. in die oude betekenis, ter aanduiding van „eerste”, „opper-” in religieuze termen (bijv. aartsengel) of kerkelijke titels...

Lees verder
1930
2022-10-02
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

aarts-

('a:rts) vrvgs. 1. eerste, hoogste, voornaamste aartsbisschop, aartsvader. 2. in de hoogste graad, bij uitnemendheid: aartsdeugniet, aartsdief, aartsdom. Opm. Aarts komt in veel samengestelde woorden voor; hier volgen alleen de voornaamste.

Lees verder
1916
2022-10-02
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Aarts-

Aarts- - bet. in bijbelsche en kerkelijke benamingen en in titels: eerste, hoogste, voornaamste, b.v. aartsbisschop, aartsdiaken, aartsdiocese, aartsengel, aartshertog. In samenstellingen met ongunstige beteekenis: in hoogste mate, b.v. aartsdief, aartsleugenaar, aartsdom. Het voorvoegsel is in de M. E. ontleend aan het Grieksch-Latijnsche archi, d...

Lees verder
1911
2022-10-02
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Aarts-

(voorvoegsel: aartsengel, enz.) komt van ’t Gr. archi (van archein = de eerste, de voornaamste zijn); het Lat. nam dit als arci (spr. artsi) over en vandaar ons aarts. Het diende vooral tot vorming van kerkelijke woorden: aartspriester, aartsdiaken, aartsbisschop, aartsengel, aartsvader, enz. Later kreeg het vóór wereldsche name...

Lees verder