Wat is de betekenis van aardig?

2020
2020-11-27
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

aardig

Het begrip aardig heeft 6 verschillende betekenissen: 1) een aangename aard hebbend. een aangename, vriendelijke aard hebbend; aangenaam in de omgang; vriendelijk; lief. 2) leuk om te vernemen. leuk om te vernemen; boeiend, interessant of grappig, amusant, geestig. 3) leuk bedacht. leuk bedacht. 4) leuk om te ervaren....

Lees verder
2019
2020-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aardig

aardig - Bijvoeglijk naamwoord 1. aangenaam in omgang Floris is een aardige jongen. 2. flink, behoorlijk, vrij groot Het opharken van de bladeren heeft een aardige berg opgeleverd. 3. grappig, geestig, genoeglijk Hij...

Lees verder
2018
2020-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aardig

aardig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: aar-dig 1. plezierig om te zien ♢ wat een aardig huis is dat 2. nogal groot ♢ het is een aardig eind fietsen 1. dat loopt...

Lees verder
1973
2020-11-27
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

aardig

aardig - aar'dig, bn. en bw. (-er, -st), 1. (van personen) een aangename indruk makend, flink: een aardige jongen; 2. lief, bekoorlijk van uiterlijk (van kinderen, meisjes); 3. aangenaam of lief in de omgang: een — mens; vind je hem niet — ?; (van zaken) lief, bevallig, fraai: een — tuintje; 4. welgevallig, aangenaam, genoeglijk: iets — vinden, er...

Lees verder
1936
2020-11-27
Koenen woordenboek

Koenen woordenboek 1936

aardig

1 bn. (een aangename indruk makend: 1 flink, lief, bevallig; 2 pleizierig, genoeglijk; 3 vriendelijk, welwillend; 4 vrij groot; 5 ir. onaangenaam; flauw): 1 een -e jongen; een kind, tuintje; 2 de voorstelling was zeer -; 3 dikwijls met ontkenning: dit is niet — van u; 4 een -e som; een fortuintje; 5 zijn ontslag was een -e verrassing; wee...

Lees verder
1898
2020-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Aardig

AARDIG, bn. en bw. (-er, -st), (van personen) geestig, grappig, flink: een aardige jongen; — lief, aanvallig van uiterlijk, (van kinderen, meisjes); — aangenaam of lief in den omgang: een aardig mensch; — (iron.) laf, onbevallig, onaangenaam, vreemd, wonderlijk : wel, dat is aardig !; wat zijt gij aardig flauw; — (Zuidn.)...

Lees verder
1898
2020-11-27
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Aardig

zie Aanminnig.