Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

Gepubliceerd op 03-02-2023

snel

betekenis & definitie

1. Van pers., inz. m. betr. t. hun uiterlijk: mooi, knap, aardig, bekoorlijk, bevallig; - handig, vlug, bijdehand: een snelle werkman, stielman; - ook m. betr. t. de verstandelijke vermogens: knap, verstandig.

In zijn verbeelding zag hij zijn zoon reeds getrouwd met de „snelle” boerin aan welke hij zijn rund verkocht had, WATTEZ 1896, 23.

2. Van zaken, inz. van de ogen: levendig; - ook: fel, scherp, snijdend.

Zij bezagen elkander te lang en te zacht, maar snel als een pijl, lichtte die blik in haar ziel, TIMMERMANS, Anne-Marie 36 (1921).