Gepubliceerd op 26-08-2022

tiet

betekenis & definitie

1) (1922) (Barg.) portefeuille. Zo genoemd omdat men die in de binnenzak steekt. Een hele tiet poen: een hele hoop geld.

• Er volgde geen ‘Bochel’ op zijn blijdschapskreet. Bromtol vertelde met opwinding, dat hij gisteren een heelen bak met vetten aal op de Lindegracht had uitgeveild.
- Soo'n tiet had ik, aume! (Israël Querido: De Jordaan: Amsterdamsch epos. Deel 3: Manus Peet. 1922)
• Als 't met die dikke tiet met geld eerlijk waar is, zijn we niks te melig om 'm er af te helpe, nou we zo afgemieters gesjochte benne. (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar, 1935)
• ... terwijl hij een tiet geld uit zijn zak pakt... (Rinus Ferdinandusse: De brede rug van de Nederlandse maagd. 1968)
• En dus liep ik weer op straat met die tiet vol geld. (Simon Carmiggelt: Je blijft lachen. 1968)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• En in zien binnenzak had Guus een flinke boerentiet met geld. (Alexander Curly: Guus. 1975)
• En een tiet met geld. (Simon Carmiggelt: Ze doen maar. 1976)
• Toen ik met die tiet geld weer in de wagen zat, dacht ik: 'Dat heb ik van tante gekregen...' (Simon Carmiggelt: De avond valt. 1980)
• Nu zat hij met een dikke tiet vol waardeloze poen. (Heeresma's François Pax Omnibus. 1980)
• Bijvoorbeeld, hoe kwam Zwarte Archie, die alleen leefde van wat hij van zijn moeder bietste, plotseling aan een “tiet met poen”, zoals Kees van der Wal dat zo plastisch uitdrukte? (A.C. Baantjer: De Cock en een variant op moord. 1984)
• Moet jij nodig zeggen, met die tiet geld van je. (Harrie Jekkers & Koos Meinderts: Uit de school geklapt. 1985)
• Waar zijn ze gebleven, de brandkastkrakers en de geveltoeristen, die het gewoon een lekker gevoel vonden om over een tiet met poen te beschikken. (Remco Campert: Eetlezen. 1987)
• In de anderhalf jaar dat de financier van het betaalde voetbal in Dordt hier rond loopt, heb ik Den Braven leren kennen als een man, die nooit een blad voor zijn mond nam. Eigenlijk te vaak zijn mond open deed, wat door critici dankbaar werd aangegrepen om 'die bolle met zijn grote waffel en zijn dikke tiet met poen' weer eens lekker neer te zetten. (Trouw, 16/03/1992)
• Je moet een tiet met geld nemen... (HP/ De Tijd, 09/07/1999)
• Wie even flink in de tiet met geld knijpt, heeft binnen een uurtje een nieuwe weekendgarderobe. (de Volkskrant, 28/04/2001)
• Zo draaide ik soms zeven dagen in de week en dan had ik voor m’n gevoel zó’n tiet met geld. (Jan D. Swart, Johan Derksen: Kanjers, culthelden en engnekken. 2014)
• ‘Ja, maar die christusvis is hartstikke duur.’
‘Zo’n troepiaal zeker niet? Man, je bent alleen al een tiet met dubbeltjes kwijt voor die snertsnavel.’ (Maarten ’t Hart: De nachtstemmer. 2019)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)

2) (19e eeuw) (inf.) (meestal meerv.) borsten. Oorspr. betekende tiet: tepel, daarna: moederborst. Bij Harrebomée: "Hij heeft te lang aan de tiet gelegen." Eng. teat. Vgl. tetten* en tetters*. Meer syn. onder boobies*.

• Op éen blafte een kees, rennend van ’t voordek naar achter, op éen zat ’n vrouw duwend ’r tiet in den mond van een bolroode zuigling. (Herman Heijermans: Diamantstad. Tweede druk. 1906)
• Ik mag toch zeker ook wel eens effetjes an d'r tieten voelen. (Jef Last: Zuiderzee. 1934)
• Leendert zei: Monica heeft keiharde tieten. (Willem Frederik Hermans: Ik heb altijd gelijk. 1951)
• Zij schreeuwden in hun moedertaal: ‘Hé, lekkere Mies, kom us hier, ik leg toch al, kom us effe onder de dekens met je tietjes.’ (Gerrit Kouwenaar: Ik was geen soldaat. 1951)
• ... zo'n jong kind en dan al zulke grote tieten. (Robert Nieuwenhuys: Vergeelde portretten uit een Indisch familiealbum. 1954)
• Mijn vriendje had gezegd dat nonnen geen tieten hadden. (Jan Cremer: Ik Jan Cremer. 1964)
• En dan moetje mijn tieten eens zien, en ik zag haar tieten, en ze had er als kalebassen, met okkernoten bovenop… (Marc Andries: Een zeer brave borst. 1964)
• Saar heeft een nieuwe dure b h gekocht en laat die aan Sam zien. Ze zet haar tieten even op en meteen knapt er een bandje. (Rinus Ferdinandusse: Zij droeg die nacht een paars corset. 1967)
• Heel langzaam begon ze die grote, harde tieten te masseren, tot ik er helemaal stapelgek van werd. (Haring Arie: Tweede Boek. 1969)
• Close-up van een drillende tiet met een korrelige tepel. (Jan Cremer: Made in USA. 1969)
• Grote tieten, hangend als zakken brij met spenen om aan te zuigen. (Jan Wolkers: Turks fruit. 1969)
• Ze probeerde ook nog zijn handen kwijt te raken, wat alleen tot gevolg had dat ze d’r tietjes wat heftiger schudde in zijn handen. (Louis Paul Boon: Als het onkruid bloeit. 1972)
• Omdat er tussen haar achter- benen maar twee tieten zitten en er drie zoons waren die graag nog wat wilden zuigen.... (Mischa de Vreede: Een hachelijk bestaan. 1974)
• (Enno Endt & Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• Wilma kan de heerlijke opwinding in haar tieten en kut niet meer verbergen. (Raster. 1978)
• Het zou ondenkbaar opwindend geweest zijn, hadden deze achter nylon uitgestalde tieten niet aan Greetje toebehoord. (Louis Paul Boon: De liefde van Annie Mols and Als het onkruid bloeit. 1979)
• Bij de moeder hadden ze de tieten afgesneden, bij de dochter de schaamlippen en de tepels van die witte flappen afgebeten. (Jan Cremer: De Hunnen. Volume 3. 1983)
• Nou meid als je schaamlippen net zo hangen als je tieten dan ben je ook ver ... (Anja Meulenbelt: De schaamte voorbij. 1985)
• Goed, ik doe haar trui omhoog... hééft ze toch een stel tieten... attenooie! (Theodor Holman: Een lekker leven. 1986)
• Dat moest ze zijn, Jayne Mansfield, de vrouw met de grootste tieten ter wereld. (J.A. Deelder: Drukke dagen. 1988)

3) (1900) (inf.) slappeling, lafaard. Wellicht van Amsterdamse origine.

• Nee, dat zou 'k niet, verdeel 't dan liever over de vier kompieën; de kapitein van de week is model,die kijkt 'r juist na.
Ja nou, dat s óok zoo n tietje, schof je voor 'm, lekkere druif, ook zoo'n lefmaker, maar voor de majoor zit-i in z'n naad, niet zoo'n beetje! (L.H.A. Drabber: Het dappere Hollandsche leger. 1900)
• Nog zou hij even dien tiet van een Thijs een oppor geven. (Is. Querido: De Jordaan. 1912)
• Waarom zou zo'n machtige internationale organisatie een tiet als Van Tuttel naar het leven staan. (Bert Hiddema: Twee vliegen in één klap. 1975)
• tiet, slappe of laffe vent (net als mem) (Querido). (Nicoline Sijs en Joep Kruijsen: Honderd jaar stadstaal. 1999)
• (Hans Heestermans & Ditte Simons: Mokums woordenboek. 2014)

4) (1817) (Gent) borrel. Volgens Sanders mogelijk verwantschap met het Vlaamse dialectwoord tit, titje of titske, hetgeen 'stukje, kleinigheid, beetje' betekent.

• Ziehier hoe dit blad opgeeft, dat men te Gent een glaasje „kort nat" in de gewone taal bestempelt: Een borrel, een tiet, een klare , een akwaviva… (Noord en Zuid. Volume 4. 1881)
• Voor een borrel bevat onze lijst 80 benamingen tegen 21 bij De Vriese (oude en nieuwe te zamen): Akwaviva, afzetterke, artevelde, actie; bak, baviaan, bijterke, billenbijter, bobijntje; chasse-calé, champetter; dreupel; ei; fixe en avant; gaai, gans, garde champetter, gendarm, glazen boterham, glazeke van assurantie, goeie, goutte; hard ei, halve scheut, hertepijne, nen Hoorebeke, hessenpikker; kegel, kèwe, klal'e, ko, koele, kooldrager, kwak, kwek, kwakkel, kwiatus, kelkske, kriekske, kerelleke; lampioentje, lanteernke, Jantje, lappe-tsanne, lepel, loeze ; maagzetterke, maatje, martiko, mamme, metserscognac; nijperke; oliepille; ramenast, ratakwak ; pekelharing van 3 sens; sampampel, scheute, schietuit, schiedam, sédentaire, schrapnel; scheerweg, slaapmutseke, slijmsnijerke, siijmstekker, snaps, stokersmastelle; tiet, tsille, twisdrijver ; uitlooperke; vicares, viterke, eene van vijve; wittenbuik; eene van zesse; zierke, zeupe, zuivere. (Oostvlaamsche Zanten, april-mei-juni 1944)
• Tiet. Borrel: (1817) Zeg gy maer de stokers ook, want (de vrouwen) keunen nog al nen tiet pakken en ee glas wyn ook. Vier clairés. Nen — ophebben, halfdronken zijn. (L. Lievevrouw-Coopman: Gents Woordenboek. 1950)
• (H. Mullebrouck: Vlaamse volkstaal. 1984)
• (Ewoud Sanders: Borrelwoordenboek. 1997)

5) (1955) (Amsterdam, Barg.) jeneverfles.

• (Hans Heestermans & Ditte Simons: Mokums woordenboek. 2014)

6) (1993) (steeds meerv.) (motorrijders) naar buiten stekende cilinders van de BMW-boxermotorfiets.

• (Freek Andriesse & Hans Meulenbroek: Motortaal. Zakwoordenboek voor de motorrijder. 1993)

7) (2018) (steeds meerv.) (kaartspel) harten.

• (Rien van den Broek & Ad Kerstens: Van aaszak tot zwabber. Woordenboek van de kaartspeler. 2018)