Wat is de betekenis van Tiet?

2022
2022-11-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

tiet

1) (1922) (Barg.) portefeuille. Zo genoemd omdat men die in de binnenzak steekt. Een hele tiet poen: een hele hoop geld. • Er volgde geen ‘Bochel’ op zijn blijdschapskreet. Bromtol vertelde met opwinding, dat hij gisteren een heelen bak met vetten aal op de Lindegracht had uitgeveild. - Soo'n tiet had ik, aume! (Israël Queri...

Lees verder
2019
2022-11-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

tiet

tiet - Zelfstandignaamwoord 1. (informeel) vrouwelijke borst De hele zaal scandeerde 'wij willen tieten zien!'. Laatst viel mijn blik ergens op<br>Het was dat mokkel van om de hoek,<br>met die lekkere tieten<br>Helaas was het tomatensoep...

Lees verder
2018
2022-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

tiet

tiet - zelfstandig naamwoord 1. elk van twee verdikkingen bij vrouwen waar melk uit kan komen ♢ (plat) ze heeft grote tieten 1. lopen als een tiet [heel goed lopen] Algemene uitdrukkingen: ...

Lees verder
2014
2022-11-30
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

tiet

(vrouwenborst) 1. slappe of laffe vent (net als mem): Tog zou hij even dien tiet van een Thijs een óppor geven, als hij de riemen nam om achter hem uit te turen, QUERIDO I, 176; 2. jeneverfles: Dat (uit kleine glaasjes lurken) is lijpen en aan de tiet van de Lamme (een kroegbaas) liggen, SMIS2 27; 3. portefeuille: Deed ie z’n jasje ope...

Lees verder
2007
2022-11-30
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

tiet

slappeling, lafaard. Wellicht van Amsterdamse origine. Nog zou hij even dien tiet van een Thijs een oppor geven. (Israël Querido, De Jordaan, 1912) Waarom zou zo’n machtige internationale organisatie een tiet als Van Tuttel naar het leven staan. (Bert Hiddema, Twee vliegen in één klap, 1975)

Lees verder
1998
2022-11-30
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Tiet

zie ook een gouden tiet 1 een - krijgen, een teleurstelling moeten incasseren. Informele uitdr. 2. een - poen, een hoop geld. Tiet heeft hier de slangbet. ‘hoop, massa’. ... met een flinke tiet geld richting Edenhal. (Oor, 09/03/77) Moetjij nodig zeggen, met die tiet geld van je. (Harrie Jekkers en Koos Meinderts: Uit de school geklapt, 1985) Wa...

Lees verder
1997
2022-11-30
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

tiet

Met de verwensing krijg tieten!, gericht tegen mannen, wenst iemand uit woede of verontwaardiging zijn tegenstrever biologische ongemakken toe. De emotionele betekenis is natuurlijk niet veel anders dan ‘ik kots van je, rot op’. In Den Haag kent men als versterkende variant ook nog krijg eczeemtieten! In Dilsen-Stokken kom...

Lees verder
1977
2022-11-30
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

tiet

tiet - (ook: tet, tit en vroeger toot), tepel, vervolgens ook vrouwenborst. Ik heb eene Moeder gezien, welke een Jongen had loopen van elfjaaren oud, die nog dagelyks ... om een tet kwam, BERKHEY, N.H. 3, 1286 [1769-1811]. Door had nog geen tijd gehad het lijf van haar jurk dicht te maken, je zag nog haar witte borst met het tietje dat net zoo voch...

Lees verder
1973
2022-11-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Tiet

I. v./m. (-en), 1. tit, tepel; 2. vrouwenborst; (gemeenz.) een hele tiet geld; II. v. (-en), (gew.) kip: dat loopt als een tiet.

Lees verder
1950
2022-11-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Tiet

I. v. (-en), 1. tepel aan een vrouwenborst; 2. de gehele vrouwenborst: wat een tieten heeft die meid! ; — inz. die van een zogende vrouw: het kind ligt aan de tiet; het kind een tiet geven ; — hij heeft te lang aan de tiet gelegen, hij heeft dikke lippen; 3. (niet alg.) slappe of laffe vent. II. v. (-en), (gew.), 1. kip, hen, hoen:...

Lees verder
1930
2022-11-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

tiet

v. (-en) 1. Eig. tepel aan een vrouwenborst. 2. Metn. vrouwenborst.

Lees verder
1898
2022-11-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tiet

Tiet - v. (-en), tepel aan eene vrouwenborst; de geheele vrouwenborst: volle, mooi gevormde tieten hebben; inz. die eener zoogende vrouw: het kind ligt aan de tiet, zuigt aan de borst; het kind eene tiet geven; — hij heeft te lang aan de tiet gelegen, hij heeft dikke lippen; — (fig.) eene vuile tiet. eene vuile vrouw. TIETJE o. (-s).

Lees verder