Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

Gepubliceerd op 08-04-2020

beetje

betekenis & definitie

(1960) (inf.) (bijv. naamw.) van enig belang; bijvoorbeeld: een beetje verzamelaar `iemand die al een mooie verzameling van iets heeft'; een beetje boekhandel `een goed voorziene boekhandel' enz.

• Een béétje Libanees heeft wel een broer in Amerika. (Piet Bakker: De grote reportage. 1960)
• Dichter bij huis is de uitdrukking een beetje. U zult als nauwkeurig waarnemer gemerkt hebben dat er zich een nieuwe betekenis aan het ontwikkelen is. Toon Hermans had het op zaterdagavond 27 februari over een beetje ober, ongeveer in dier voege: nee, een beetje ober doet dat anders. Hij zei er zelf bij: zo zeggen ze dat tegenwoordig. We hebben het ook al gedrukt gezien. Een advertentie in Ariadne (17 februari 1965): ,,Nu houdt ’n beetje bureau er tegenwoordig een filosofie op na.” (Onze Taal, maart 1965)
• Een beetje café heeft deze tune opgehangen. (Hermine Heijermans: Leven met eros. 1979)
• Een beetje ex-motorrijder zou juist likkebaardend blijven staan. (Adriaan Bontebal: De Ark, 1990)
• De ranke libero dreef de klacht op tot een staatszaak. Een beetje voetbalfilosoof weet dan hoe laat het is: Krol en Ajax hebben de wurgende hand van het déja-vu om de nek. (Elsevier, 18/05/1991)
• Een beetje talkshow heeft zo maar tien man in dienst voor de redactie en produktie. (Nieuwe Revu, 08/08/1991)
• Een beetje jongen moet kunnen voetballen. (Carry Slee: Moederkruid. 2001)
• “Met een beetje veldkijker kun je hun jaarverslag lezen, Wijnand!” (Rinus Ferdinandusse en Tomas Ross: De mannen van de maandagochtend. 2003)
• Een beetje vent noemt elkaar bij de achternaam. (Anne-Gine Goemans: Glijvlucht. 2011)