2019-11-22

Beetje

Een van de vele borrel namen die benadrukken dat de genoten versnapering nauwelijks kwaad kan, omdat het maar zo'n verdomd kleine hoeveelheid is. Na een beetje kon men nog makkelijk een druppel hebben, en vervolgens bijvoorbeeld een kleinig- heid of een slokje. Beetje staat sinds 1898 in de Grote Van Dale voor 'glaasje jenever'. In Gent en omstreken noemt men een glas jenever tegenwoordig wel een beetje van de vuile fles. In Friesland spreken ze van een bietske.

2019-11-22

Beetje

1. gebruikt als bijvoeglijk naamwoord, bijv. in een beetje verzamelaar‘iemand die al een mooie verzameling van iets heeft’; een beetje boekhandel‘een goed voorziene boekhandel’ enz. Beetje wordt hier dus gebruikt in de bet. ‘van enig belang’. In het begin van de jaren zestig, nadat Toon Hermans het woord in deze zin populair maakte, dook dit cliché met de regelmaat van een klok op in kranten en tijdschriften. Reinsma 1975 signaleerde het als nieuw woord. Achteraf blijkt echter dat h...

2019-11-22

beetje

beetje - zelfstandig naamwoord, bijwoord uitspraak: beet-je 1. een kleine hoeveelheid ♢ heb je een beetje melk voor me? 1. alle beetjes helpen [het is niet gauw te weinig] 2. niet veel, niet zo erg ♢ ik ben een beetje moe Zelfstandig naamwoord: beet-...

2019-11-22

beetje

beetje - Zelfstandignaamwoord 1. een ~; een kleine hoeveelheid Jan heeft een beetje water gedronken. 2. enigszins een eigenschap hebbend Maxima vond Willem-Alexander een beetje dom. beetje - Zelfstandignaamwoord 1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord beet

2019-11-22

Beetje

BEETJE, o. (-s), kleine hap, kleine hoeveelheid; — hij heeft maar een klein beetje, een klein gedeelte, een klein aantal; — hij gebruikt iederen dag een beetje, (sterken drank); — hij is niet bang voor een beetje, hij is onverschrokken; (ook) hij lust gaarne sterken drank; — van stukje tot beetje vertellen, haarfijn, zeer nauwkeurig; — bij beetjes, langzamerhand; — lekkere beetjes, lekkernij; — een beetje geduld, een weinig geduld; een beetje gezelligheid heeft een mensch noodig; e...

2019-11-22

Beetje

Beetje - 1. zn. o. (-s), kleine hap; (bij uitbreiding) kleine hoeveelheid: je moet er een — suiker in doen; hij heeft maar een klein —, een klein gedeelte, een klein aantal; glaasje jenever; bij stukjes en bij beetjes, langzamerhand; ook van abstracte begrippen: een — geduld, een weinig; een — gezelligheid heeft een mens nodig; 2. een —, bw., in lichte graad, enigszins: een — opgewonden, vervelend zijn; ...en geen klein —; nogal: een — erg.