(Meiningen 7 Dec. 1865 - Rastatt, 6 Mei 1944), zoon van de romanschrijver Oskar Hoeker, werd opgeleid voor musicus en was korte tijd kapelmeester, maar wijdde zich sinds 1893 uitsluitend aan de literatuur. Hij was sedert 1905 redacteur van Velhagen und Klasings Monatshefte. Wereldoorlog I maakte hij als reserveofficier mee.
Zijn An der Spitze meiner Kompagnie was het eerste Duitse oorlogsboek. Kroonprins Rupprecht van Beieren droeg hem de uitgave van de Liller Kriegszeitung op. Hij schreef vnl. ontspanningslectuur.Bibl.: Novellen: Am Hof der Medici (1889); Der Olympier (1893); Leichtsinniges Volk (1894); ’s Zeller Trautel (1894); Letzter Flirt (1901). Romans: Polnische Wirtschaft (1896); Fräulein Doktor (1898); Seekadett Tielemann (1900); Paradiesvogel (1907); Die Sonne von St Moritz (1910); An der Spitze meiner Kompagnie (1914); Ein Liller Roman (1916); Thaddäus (1921); Die Frau am Quell (1926); Ich liebe dich. Ein Grieg-Roman (1940); P. Weiglin, P. O. H. zum 60.
Geburtstag (Velh. u. Klas. 1925).
Lit.: P. O. H. in Velhagen u. Klasings Monatsheftem (1935-36).