Zahn betekenis & definitie

Zahn. Onder dezen naam vermelden wij:

Wilhelm Zahn, een verdienstelijk architect en schilder, geboren te Rodenberg in Hessen den 2lsten Augustus 1800. hij oefende zich in de bouw- en schilderkunst eerst te Cassel, toen in het atelier van Gros te Parijs en sedert 1824 in Italië. De eerste vrucht van zijne studiën was: „Neu entdeckten Wandgemälde in Pompeji (1828)”. Niet lang na zijn terugkeer begaf hij zich naar Berlijn en schreef er: „Die schönsten Ornamente und merkwürdigsten gemälde aus Pompeji, Herculaneum and Stabiä (1828—1830, 10 stukken, — vervolg, 1841— 1845, 10 stukken, — en vervolg, 1849—1859, 10 stukken)”, waarna hij in 1829 tot hoogleeraar werd benoemd. In 1840 vertrok hij weder naar Italië. Voorts leverde hij: „Ornamenten aller klassischen Kunstepochen (1832— 1848, 25 stukken; 3de druk, 1869—1871)” en, nadat hij in 1842 te Berlijn was teruggekeerd „Auserlezene Versierungen aus dem Gesammtgebiet der bildende Kunst (1842—1844, 5 stukken)”. In 1850 en 1851 volbragt hij eene wetenschappelijke reis door België, Frankrijk, Engeland en Nederland, en overleed te Berlijn de 22sten Augustus 1871.

Albert von Zahn, een schrijver over kunstaangelegenheden en geboren te Leipzig den lOden April 1836. hij bezocht in 1854 de académie voor Schoone Kunsten te Dresden en het atelier van Bendemann, was ook werkzaam te Leipzig onder de leiding van professor Jäger, maar besefte weldra, dat de schilderkunst niet zijne roeping was. Hij liet zich dan ook in 1858 inschrijven als student aan de hoogeschool te Leipzig, werd er in 1860 custos van het muséum en in 1866 tevens hoogleeraar, in 1868 directeur van het muséum te Weimar, en in 1870 referent bij de algemeene directie der Koninglijke verzamelingen voor Kunst en Wetenschap te Dresden. In 1871 hield hij zich bezig met het rangschikken en in catalogus brengen der Holbeintenstoonstelling, en werd in 1873 directeur van de Koninglijke school voor modelleren en ornamentteekenen. Hij maakte in den nacht van den 15den op den 16den Junij 1873 te Mariënbad vrijwillig een einde aan zijn leven. Van zijne geschriften vermelden wij: „Dürers Kunstlehre und sein Verhältnis zur Renaissance (1866)”, — „Musterbuch für häusliche Kunstarbeiten (1864—1865)”, — en „Barock, Rokoko und Zopf (1873)”. Ook leverde hij een derden druk van den „Cicerone” van Buckhardt en redigeerde de: Jahrbücher für Kunstwissenschaft (1868—1873)”.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018