Zadel betekenis & definitie

Zadel (Een) noemt men een toestel, dat op den rug van het paard wordt bevestigd, om aan den ruiter eene gemakkelijke zitplaats en aan het paard eene meer verdeelde drukking van den last te bezorgen. Het Duitsche zadel bestaat uit een vóór- en achterboom, door stegen of platte spaken verbonden en is door de opvulling zoo ingerigt, dat de ruggegraat van het paard in eene holte (de kamer) komt te liggen. De zitplaats van den berijder is met leder bekleed, en de stijgbeugels zijn aan de stegen vastgemaakt. De Engelsche zadel is vlakker en geeft alzoo aan den ruiter eene meer vrije zitplaats, waar hij de bewegingen van het paard gemakkelijker kan voelen.

Hij is in gebruik bij burgers en officieren, terwijl bij de manschappen der kavallerie en artillerie de Hongaarsche zadel of bokzadel is ingevoerd. Dit bestaat uit een vóór- en achterboom, desgelijks door stegen verbonden, en het geheel is met een zitkussen bedekt. Zulk een zadel, op den middeneeuwschen ridderzadel gelijkend, bezorgt den ruiter een vaste, maar tevens warme zitplaats. Alle zadels worden door middel van een zadelriem, onder den buik van het paard doorgehaald, vastgegespt, terwijl daarenboven in bergstreken de zadel met een staartriem verbonden is. Vaak legt men onder den zadel een dek, en dit wordt er ook wel onder den naam van schabrak overheen gespreid. De stijgbeugels, aan weerszijden afhangende, dienen om het paard te beklimmen en bij het rijden de voeten van den ruiter te ondersteunen. Als dames te paard rijden, laten zij de beenen langs ééne zijde van het paard afhangen en hare zadels zijn zoodanig ingerigt, dat zij haar in deze houding een gemakkelijken zetel aanbieden. Alleen met het linkerbeen steunen zij op den stijgbeugel, terwijl het regter over den zadelknop heen iets hooger is geplaatst.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018