Zabern betekenis & definitie

Zabern of Saverne, eene stad in den Beneden-Elzas, aan den voet van het Vogesisch Gebergte, aan de Zorn, aan het Rijn-Marnekanaal en aan de spoorwegen van Straatsburg naar Avricourt en van Zabern naar Schlettstadt, is de zetel van een arrondissementsbestuur en van eene regtbank, heeft eene Protestantsche en eene fraaije R. Katholieke kerk, een gymnasium, een museum van oudheden, een kasteel (te voren het bisschoppelijk paleis, maar thans eene kazerne), onderscheidene fabrieken en ruim 6000 inwoners. In hare nabijheid bevinden zich steengroeven en onderscheidene bouwvallen van oude burgten. Deze stad was waarschijnlijk reeds in de dagen der Romeinen eene belangrijke plaats (Tres Tabernae); zij werd in 335 na Chr. door de Alemannen verwoest, maar door keizer Julianus weder opgebouwd. In 1525 maakten de Boeren zich meester van deze stad, maar werden kort daarna door hertog Anthon van Lotharingen op eene verraderlijke wijze in de pan gehakt.

In 1622 bood Zabern weerstand aan den graaf van Mansfeld, maar later werd deze stad in den Dertigjarigen Oorlog door de Fransche en Keizerlijke troepen veroverd. Het kasteel, in 1670 na de verwoesting in den Dertigjarigen Oorlog hersteld, werd in 1779 eene prooi der vlammen. De cardinaal prins de Bohan begon als bisschop van Straatsburg het slot wederom op te bouwen, maar bleef, door de Omwenteling overrompeld, daarin steken. Het kasteel was daarna bij afwisseling in het bezit van de stad en van den Staat, totdat Lodewijk Napoleon het in 1852 bestemde tot een verblijf voor weduwen van ridders van het Legioen van Eer. Sedert 1871 is het in eene kazerne herschapen.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018