Scheltinga betekenis & definitie

Scheltinga is de naam van een aanzienlijk Friesch geslacht. Van de leden noemen wij: Schelte Scheltinga van Huizum, een ijverig aanhanger van den Hertog van Saksen; hij veroverde in 1498 met Take van Heemstra en anderen van die partij de stinsen van Rienk Jaarla te Eestrum en van Auke Jaarla te Wetsens, werd lid van den Hertogelijken Raad en grietman van Kollumerland, Achtkarspelen en Dantumadeel.

Hij belegerde en veroverde voorts het huis van Popke Mockema, was in 1504 een der eerste onderteekenaars van den renversaalbrief voor den Hertog van Saksen en werd met Aesge van Hoxwier, in dat jaar bevelhebber der Friesche hulptroepen, ter beschikking gesteld van graaf Edzard van Oost-Friesland. Op de lijst der edelen van 1505 komt hij voor als edelman van Dantumadeel.

Daar hij standvastig de partij der Saksers aankleefde, werd in 1515 zijne stins te Rinsumageest door de Gelderschen ingenomen, en in 1545 verzette hij zich als lid der Friesche Staten tegen ’s Keizers inbreuk op de privilegiën en regten des lands. — Livius van Scheltinga, in 1620 lid der rekenkamer en in 1637 secretaris der Staten van Friesland. Hij werd curator der académie te Franeker, trad in het huwelijk met Anna de Blocq, en overleed den 17den December 1650.

— Daniël de Blocq van Scheltinga, geboren den 21sten December 1621. Nadat hij te Franeker in de regten gepromoveerd was, volbragt hij eene reis van twee jaar door Frankrijk, Italië, Zwitserland en Duitschland en werd na zijn terugkeer in 1644 ontvanger-generaal der provincie. Twee jaar daarna zag hij zich benoemd tot grietman van Schoterland en werd in 1650 afgevaardigd naar de Generale Staten.

In 1640 aanvaardde hij de betrekking van curator der hoogeschool te Franeker, en overleed den 27sten Januarij 1703.

— Martinus van Scheltinga, geboren den 19den Februarij 1666 en een zoon van den voorgaande. Na voleindigde studiën reisde hij in Frankrijk en werd in 1689 grietman van Lemsterland, later van Schoterland en bekleedde daarenboven te Leeuwarden en te ’s Gravenhage aanzienlijke betrekkingen. Ook was hij curator der hoogeschool te Franeker. In 1700 trad hij in het huwelijk met Amalia, eene dochter van den beroemden Menno, baron van Coehoorn, en overleed den 11den December 1742.

— Martinus van Scheltinga, geboren den 31sten Mei 1744. Hij werd in 1773 raadsheer in het Hof van Friesland, in 1775 grietman van Kollumerland, trok in 1795 naar Overijssel, doch keerde in 1813 naar Friesland terug, werd er lid van de Provinciale Staten, en overleed den 18den April 1820.

— Voorts vermelden wij nog onder dien naam:

Theodorus Scheltinga, een verdienstelijk Nederlandsch godgeleerde. Hij werd geboren, te Leeuwarden, studeerde te Franeker, was achtervolgens predikant te Oostermeer en Eestrum, te Arum en te Arnhem, en zag zich in 1750 benoemd tot hoogleeraar in de godgeleerdheid, kerkhistorie en Oostersche talen te Harderwijk. Meermalen bekleedde hij de betrekking van rector magnificus, zag zich in 1765 op zijn verzoek ontheven van de lessen in de Oostersche talen, en overleed den 24sten Februarij 1786. Hij schreef o. a. eene „Commentatio in Habacucum (1747)”,— en „De fato Nadabi et Abihu (1742)".

Gerlacus of Gerlof Scheltinga, een broeder van den voorgaande en geboren in het begin van 1708. Hij studeerde te Franeker en te Leiden, promoveerde in 1731 in de beide regten en zag zich benoemd tot hoogleeraar te Deventer en in 1738 te Leiden, waar hij den 9den Februarij 1765 overleed. Hij heeft eenige „Dissertationes en „Orationes” in het licht gegeven, alsmede: „Emendationes et interpretationes ad commentarios Thalelaei aliorumque jurisconsultorum Graecorum etc.”.