Paarden betekenis & definitie

Paarden (Equidae, Solidungula) is de naam eener familie der zoogdieren, welke slechts één geslacht telt, hetwelk paard (Equus L.) wordt geheeten. Dit geslacht omvat groote dieren met ongespletene hoeven, 6 snijtanden en 12 kiezen in iedere kaak, terwijl de mannelijke dieren daarenboven 2 hoektanden (wolftanden) hebben, kort, digt haar, dat aan den nek in eene maan overgaat, en een min of meer dikken staart. Hun ligchaam heeft gemiddeld eene hoogte van 1,2 tot 1,5 Ned. el en is slank en krachtig van bouw. Zij zijn vlug in hunne bewegingen en onderscheiden zich door eene groote mate van schranderheid.

Men splitst dit geslacht in paarden en ezels, hoewel het verschil tusschen die beiden niet groot is. Tot de ezels rekent men nog de zebra, de quagga en het tijgerpaard. Terwijl men kan nagaan, dat de tamme ezel afkomstig is van thans nog in het wild levende soorten, mag men met regt betwijfelen, of er nog oorspronkelijke in het wild levende paarden bestaan, daar de wilde paarden in de steppen van Azië en Amerika nakomelingen zijn van tamme paarden. Intusschen is Midden-Azië de oorspronkelijke verblijfplaats van ons paard, maar de stamouders van dit dier moet men zoeken in eene thans fossiele soort, welke vermoedelijk grijsachtig bruin en gestreept was. Voorloopers van het tegenwoordige paardengeslacht waren, behalve Equus fossilis, die reeds sterk met ons paard overeenkomt, het Hippotherium en het nog oudere Anehitherium, van welke het vóórlaatste wel 3 teenen heeft, doch alleen met den middensten den grond raakt, terwijl bij het laatste de 3 teenen zich in een behoorlijk ontwikkelden toestand bevinden. Vermoedelijk werd het paard het eerst tam gemaakt in het midden van Azië en heeft het zich vanhier met de Arische volken verspreid. In overouden tijd was het noch in Egypte, noch in Arabië als huisdier bekend. Volgens de Grieksche mythe ontstond het paard doordien Poseidon (Neptunus) zijn drietand in de aarde stiet om in den wedstrijd met Pallas (Minerva) het nuttigste voorwerp te scheppen.

Bij de Perzen werd het paard gehuldigd als een heilig dier, en ook bij de Germanen eerbiedigde men het witte paard, waaraan men in heilige wouden een verblijf verschafte, ja, men onderstelde bij dat schepsel het vermogen der voorspelling. Opmerkelijk is het, dat men op de oudste teekeningen het paard ziet voorgesteld als verbonden met een wagen, zoodat men het aanvankelijk niet bezigde om op te rijden. Daarna verdwijnen de wagens tot aan de 15de eeuw, om vervolgens allengs weder in gebruik te komen. De aloude paarden waren klein; dit blijkt zoowel uit de afbeeldingen als uit de geraamten, en eerst na den dood van Karel de Groote, bepaaldelijk bij de Noormannen, had men een grooter slag van paarden, dat in onzen tijd tot het Londensche brouwerspaard is uitgedijd. Men heeft dus een ouden Oosterschen en een jongeren Normandischen typus; zelden vindt men zulk een typus in volkomene zuiverheid, maar bij beiden vindt men toch eigenaardige verschillen in den bouw van den schedel en van het bekken. In de middeneeuwen, den tijd der ridders, stond het Normandische strijdpaard in hoog aanzien; het was groot en gespierd en kon een gewigt van 200 Ned. pond met gemak dragen. Na den riddertijd kwamen echter de snelvoetige en sierlijke Oostersche paarden meer in zwang, en de tegenwoordige paarden zijn meestal afkomstig van beide rassen.

Het paard is als huisdier nagenoeg over de geheele aarde verspreid, hoewel het weinig geschiktheid heeft voor een zeer vochtig of voor een vochtig-warm klimaat. In Amerika en Australië is het paard uit Europa ingevoerd en heeft er zich verbazend vermenigvuldigd. Niettemin heeft Amerika in vroegere tijdperken paarden bezeten, zooals blijkt uit talrijke fossiele overblijfselen van dat dier.

De kleur van het paard, welke in een staat van verwildering weder nadert tot het oorspronkelijk grijsachtig bruin of grijsachtig geel met donkere strepen, is bij het tamme dier aanmerkelijk veranderd. Men vindt bij het paard bruin, rood (voskleurig), vaal (Isabellekleurig), zwart en wit haar, alsmede gemengde kleuren, zooals schimmelkleurig, getijgerd en bont haar. De kleur van het haar is niet volkomen standvastig, maar verandert zoowel bij de jaarlijksche verharing als bij het klimmen van den leeftijd. Het veulen draagt aanvankelijk digt, wollig haar, dat na verloop van eenige maanden uitvalt, Daarna verandert het van kleur, zoodat het niet gemakkelijk is, bij de geboorte van het schepsel zijne toekomstige kleur te bepalen. Bij alle kleuren vindt men de neiging om bij hoogeren ouderdom in grijs over te gaan, vooral bij het veranderlijke schimmelhaar, dat alle schakéringen van zwart tot wit doorloopt. Vele paarden hebben witte vlekken voor het voorhoofd (bles) en aan de beenen. Deskundigen kunnen voorts uit de gesteldheid der tanden van het paard zijn ouderdom bepalen. Na 2½ jaar vallen de voorste tanden uit, 2 onder en 2 boven, — een jaar later de volgende 4 — en nog een jaar later de daarop volgende 4; van het 5de tot het 6de jaar vult zich de holte tusschen de voorste 4 tanden,— van het 6de tot het 7de die tusschen de volgende 4, en van het 7de tot het 8ste die tusschen de daaropvolgende 4.

De voornaamste paardenrassen van onzen tijd zijn: het Arabische, van de bekende rassen het oudste en tevens geroemd als het edelste. De voortreffelijkste dieren van dit ras vindt men, naar veler verzekering, op de hoogvlakte van Midden-Arabië, Nesjd genaamd, doch zij komen niet in den handel. Meer bekend zijn de paarden der zwervende Arabieren aan de grenzen van Syrië, Palaestina enz., en hier door Europeanen gekocht. De edelste van deze zijn 1½ Ned. el hoog, hebben een regten, bij den neus eenigzins hollen kop, een fijnen, fraai gebogen hals, welke bij snellen loop op dien van een hert gelijkt, een vrij scherpen schoft, eene niet breede, maar ruime borstkas met eenigzins steilen schouder, een regten rug, een hoog ingeplanten, boogvormig gedragen staart en dorre, harde beenen. Het heeft kort en fijn haar en beweegt zich gemakkelijk en sierlijk. Daarenboven is het met eene zeer schrale voeding te vreden, en tevens mak en gehoorzaam.

Men geeft de voorkeur aan de schimmels en bovenal aan de nakomelingen der 5 merriën van den Profeet. — Met de Arabische paarden zijn de Egyptische en Berberijsche vermaagschapt. Tot een afzonderlijk ras der Egyptische paarden behoort het groote, langbeenige Dongola-paard. Het Berberijsche paard onderscheidt zich van het Arabische door een kop, die bij den neus meer bol is. De paarden van Aziatisch Turkije komen in vele opzigten met de Arabische overeen, maar zijn minder edel. Het Perzische paard, reeds vermaard in de dagen der Oudheid, is grooter dan het Arabische en zeer vurig. In Mongolië en Tartarije heeft men vele, half in het wild levende paarden, die niet fraai van gestalte, maar ongemeen taai zijn.

Onder de Europésche paarden bekleedt het Engelsche volbloedpaard den eersten rang, het is afkomstig van een Arabischen hengst en ingeschreven in het „stud-book (paardenstamboek)”. Door aankweeking der eigenschappen, die de snelheid bevorderen en door eene kunstmatige opvoeding (training) is het Engelsche renpaard hooger en langer geworden. Men bereikt daarmede eene snelheid van 850 Ned. el in de minuut. Een uitstekende hengst, tot deze renpaarden behoorende, wordt weleens met 8tot 12000 pond sterling betaald. Het Engelsche jagtpaard (hunter) kan een volbloed en ook een halfbloed zijn. Tot koetspaarden bezigt men er het Suffolkpaard, eene soort van vos, en het clydesdaler paard, gewoonlijk bruin met witte teekens. Daarenboven zijn er de kleinere paarden of ponies in zwang, zoowel in het tuig als onder den zadel; deze komen vooral van de Shetland-eilanden, terwijl er ook in Zweden, Noorwegen, Oost-Pruissen, Galicië enz. gevonden worden. Inrigtingen van Staatswege ten behoeve der paardenfokkerij zoekt men in Engeland te vergeefs.

Frankrijk heeft in het Vlaamsche paard een uitstekend lastpaard, terwijl het tevens goede wagen- en ploegpaarden levert. In sommige departementen fokt men flinke koetspaarden, welke den naam van Anglo-Normandische dragen. Spanje was reeds van ouds vermaard wegens voortreffelijke paarden en kwam door de Mooren in het bezit der prachtige Andalusiërs, doch de paardenfokkerij is er thans van geene beteekenis, — evenmin als in Italië, hetwelk te voren roem droeg op het Napolitaansche ras. Uit Vlaanderen in België komen zware lastpaarden, uitstekend geschikt, om de waggons van paardensporen en omnibussen te trekken. In Duitschland telde men in 1873 ruim 3352000 paarden, vooral rij- en koetspaarden. Pruissen levert uit zijn Staatsstoeterijen voortreffelijke kavalleriepaarden. Uit Hannover, Pommeren en Saksen komen goede ploegpaarden en uit Holstein zware werkpaarden. De belangrijkste stoeterij in Pruissen is Trakehnen, 2 geogr. mijl van Gumbinnen; daar onderhoudt men op ééne geogr. mijl 300 merriën.

De stoeterijen in Würtemberg en Beijeren hebben veel van hare vroegere vermaardheid verloren. Sommige provinciën van Oostenrijk, inzonderheid Galicië, zijn ruimschoots van paarden voorzien; deze zijn in het algemeen klein in de landen der Magyaren, Romanen en Slawen; maar in de Germaansche gewesten vindt men vrij groote koets- en werkpaarden. Men schat het aantal paarden in Rusland op 20 millioen. Zij zijn in het algemeen klein van gestalte, maar zeer sterk; intusschen vindt men grootere rassen in de Ukraine, in de Caucasische gewesten en aan de grenzen van Perzië. In Rusland heeft men stoeterijen, welke aan den Staat toebehooren.

In ons Vaderland heeft men Geldersche, Friesche, Groninger en Amelander paarden, welke in hunne soort goed zijn, doch men maakt er zeer weinig werk van de paardenfokkerij. Te voren had men eene Rijksstoeterij te Borculo, doch deze is reeds lang opgeheven, zoodat de Nederlanders zich veelal op buitenlandsche, inzonderheid op Oost-Friesche markten van goede paarden voorzien. In Amerika is het paardenras, te voren aldaar levende, doch later uitgestorven, kort na de ontdekking van dit werelddeel weder ingevoerd door de Spanjaarden. Ook is het paard uit Europa naar Australië overgebragt, waar het sterk toeneemt in aantal.

De gemiddelde ouderdom, dien het paard bereikt, is 20, op het hoogst 25 jaren, en het is gebleken, dat de edelste rassen het langst leven. Er zijn er die 40 jaar oud worden. Het is algemeen bekend, dat het paard aan den mensch in vele opzigten groote diensten bewijst. De naam paard is vermoedelijk afkomstig van het woord veredus, den Lantijnschen vorm van het Keltische vehoreda. Het werd veredus genaamd, omdat het den rheda (in het Sanskriet rhata of wagen, waarvan ons rad) vehit (voorttrekt). Veredus veranderde allengs in verd, ferd, pferd, paerd, paard.

De paardenfokkerij wordt in ons land hier en daar aangemoedigd door het uitloven van premiën aan de bestgekeurde hengsten en merriën, aan de fraaiste koets- en chaispaarden en aan zoodanige, die in harddraverijen de overwinning behalen. De gedekte merrie draagt 11 tot 12 maanden, waarna zij het veulen 6 tot 8 maanden zoogt. De meeste hengstveulens worden op 3-jarigen leeftijd tot ruinen gesneden. Bij de behandeling van het paard dient men vooral op goed voedsel en zindelijkheid te letten. Het beste voedingsmiddel voor paarden is zware haver; ook zijn voor zoodanige, die zwaar moeten werken, paardenboonen zeer aan te bevelen. Voorts geve men droog gewonnen hooi, haksel van haver- en gerstenstroo, een stuk brood en goed drinkwater, terwijl men voorzigtig moet wezen met het toedienen van tarwe, rogge en gerst, omdat deze ligt verstoppingen veroorzaken. Bovenal bezorge men aan het paard eene goede weide met gras en klaver. Voorts neme men bij het paard de meest mogelijke zindelijkheid in acht; men roskamme en reinige zijne huid, zuivere de ruif en den stal, zorge voor licht en lucht, en wake zoowel tegen togt als tegen onzuiver drinkwater.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018