O’Connor betekenis & definitie

O’Connor (Feargus Edward), een Iersch volksmenner, geboren in 1796, oefende zich in de regtsgeleerdheid, werd in 1832 afgevaardigd naar het Parlement en behartigde hier met ongemeene kloekmoedigheid de belangen van Ierland. Zijn invloed was niet gering, weshalve zijne tegenstanders in 1835 zijne herkiezing verhinderden. Dewijl hij zich met de gematigde staatkunde van O'Connell niet vereenigen kon, liet hij de Iersche aangelegenheden varen, voegde zich bij de Engelsche Chartisten en trok het land door, om in volksvergaderingen het ontoereikende der Parlementshervorming aan te wijzen en over de verguizing der regten van den arbeidersstand uit te weiden.

Onder zijne leiding kwam den 6den Augustus 1838 te Birmingham eene groote vergadering van Chartisten tot stand, en hierop volgde de zamenstelling van eene Nationale Conventie te Londen ter voorbereiding van een algemeenen opstand.

Het kwam echter niet zoo ver; slechts hier en daar ontstonden volksbewegingen, en deze werden door de policie en de militaire magt zonder moeite gedempt.

Onder anderen leed eene bende van 8000 Chartisten, die de stad Newport overvielen, den 4den November 1839 eene bloedige nederlaag, terwijl onderscheidene aanvoerders gegrepen en gedeporteerd werden.

O'Connor echter, die op den achtergrond was gebleven, ondervond geenerlei overlast en stichtte het sterk verspreide dagblad: „The Northern Star”. Toen in 1843 de bewegingen der Chartisten hadden opgehouden, keerde hij naar Ierland terug, waar de repeal-agitatie gestadig toenam. Hij schaarde zich aan de zijde van hare hoofdleiders en werd in 1844 in het procès van O' Connell gewikkeld. In 1847 nam hij weder zitting in het Parlement, en na de Fransche omwenteling van 1848 vormde hij op nieuw eene vereeniging van Chartisten, bezorgde aan het Parlement eene monsterpetitie, den eisch bevattende om aan het volk meer regten te vergunnen, en ondersteunde — doch te vergeefs — deze op den 10den April 1848 door eene volksdemonstratie. De verwerping zijner hervormingsvoorstellen in het Parlement en het mislukken van zijn plan, om op communistische grondslagen eene gemeente te stichten, maakten zulk een diepen indruk op zijn prikkelbaar gemoed, dat hij tot krankzinnigheid verviel en in 1852 in een gesticht geplaatst werd, hetwelk hij eerst tien dagen vóór zijn overlijden verliet. Hij stierf den 30sten Augustus 1855.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018