Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 10-08-2018

Namen

betekenis & definitie

Namen (Namur), eene Belgische provincie, grenst in het noorden aan de provincie Brabant, in het noordoosten aan Luik, in het zuidoosten aan Luxemburg, in het zuiden aan Frankrijk en in het westen aan Henegouwen, en telt op bijna 66½ geogr. mijl ruim 316000 inwoners (1874). Het land is er over het geheel bergachtig, daar de Ardennen er zich ter hoogte van 650 Ned. el verheffen, en boschrijk, en alleen het arrondissement Namen is voor den graanbouw geschikt, terwijl men in het arrondissement Dinant uitgestrekte heidevelden aantreft.

De voornaamste rivier is er de Maas, en tot hare zijrivieren behooren er de Hermeton, de Moligneé, de Bocq, de Sambre, de Lesse enz. Het klimaat is er over het geheel vochtig en koud. Men verbouwt er de gewone graansoorten, peulvruchten en ooft, alsmede tabak en wijn. Van meer belang is er de veeteelt, inzonderheid de schapenfokkerij. Uit de mijnen verkrijgt men er ijzer, steenkolen, zink en lood.

De nijverheid bevindt er zich op een hoogen trap van ontwikkeling. Behalve een groot aantal hoogovens heeft men er staalfabrieken, koper- en loodsmelterijen, loodwit-, porselein- en fayencefabrieken, glasblazerijen, papiermolens, looijerijen, katoenfabrieken, spijkermakerijen, spiritusbranderijen enz. Ook de handel is er van veel belang. Ijzer en ijzerwaren worden er in groote hoeveelheid uitgevoerd, — voorts hout, leder, vee, marmer en gebakken steen.

Het land is uitstekend voorzien van spoorwegen en de hoofdstad is daarvan het vereenigingspunt. Deze provincie is verdeeld in 3 arrondissementen: Namen, Dinant en Philippeville. — Dit land, in overouden tijd bewoond door de Eburonen en Tongeren, werd door de Franken bij Austrasië gevoegd.

Als eersten graaf van Namen vindt men in de 10de eeuw Beranger van Lomme vermeld. In het begin der 13de eeuw kwam het graafschap in het bezit van het Huis van Henegouwen, viel in 1262 door aankoop ten deel aan Vlaanderen en kwam in 1421 onder het leenhof van Mechelen. Daarna vormde het eene van de 17 provinciën der Nederlanden en deelde in het lot van deze.

Bij den Vrede van Luneville werd het als departement Sambre et Meuse onderworpen aan de Fransche heerschappij, vormde in 1814 eene provincie van het koningrijk der Nederlanden en kwam door den opstand van 1830 aan België.

De evenzoo genoemde, te voren zeer versterkte hoofdstad, aan den mond der Sambre en aan de Maas gelegen, vormt het vereenigingspunt van 5 verschillende spoorweglijnen, die zich uitstrekken in de rigting van Brussel, Luik (Aken en Keulen), Luxemburg, Charleville (Reims) en Charleroi (Parijs); zij is het hoofdstation der gewigtige lijnen Keulen— Parijs en Brussel—Luxemburg. De stad heeft fraaije, breede straten en groote pleinen.

Van de kerken noemen wij de hoofdkerk, aan St. Aubin gewijd, eene der fraaiste nieuwere kerken van België, in 1772 voltooid, met het praalgraf van don Jan van Oostenrijk, — de prachtige Lupuskerk, in 1621—1653 door de Jezuïeten gebouwd, — de kerk der Franciscanen, in 1756 verrezen, en de prachtige kerk van Notre Dame, — en van de overige openbare gebouwen: de Citadél, de Belfroi (uit de 11de eeuw), het paleis van Justitie (het voormalig Albinusklooster), het stadhuis en de schouwburg. Zij is de zetel van den gouverneur en van het provinciaal bestuur, van een bisschop en van verschillende regtscollegiën.

Men heeft er een Koninklijk athenaeum, een seminarium tot opleiding van geestelijken, eene bibliotheek, een muséum van schilderijen, onderscheidene genootschappen, een verbeterhuis voor vrouwen, een instituut voor doofstommen , een krankzinnigengesticht en eenige hospitalen. De nijverheid bepaalt er zich hoofdzakelijk tot het vervaardigen van stalen voorwerpen, vooral van messen, tot ijzergieterij, looijerij, brouwerij, zeepziederij en het voortbrengen van stijfsel, lijm, aardewerk, papier en koperen gereedschappen.

Ook zijn er in de nabuurschap ijzer-, lood- en steenkolenmijnen, en de levendige handel wordt er bevorderd door de spoorwegen, door de vaart op de Maas en op de Sambre en door kermissen en veemarkten. Zij telt 26443 inwoners (1874). — Het schijnt, dat Caesar hier reeds eene belangrijke woonplaats aantrof van de oude Keltische inboorlingen der Ardennen, welke door hem Ambivariti werden geheeten. De stad Namen werd door de Romeinen Oppidum Aduaticorum genoemd.

Hoewel Coehoorn zich in 1691 aan hare vestingwerken had laten gelegen leggen, welke hij echter niet voltooide, werd zij het volgende jaar door Franschen onder Vauban na eene belegering van 6 dagen, het Fort na eene van 22 en de Citadél na eene van 30 dagen ingenomen.

Willem III van Oranje veroverde in 1695 laatstgenoemde, welke door Vauban zeer versterkt was, alsmede de stad, die door 16000 man verdedigd werd, na eene belegering van 10 weken. In 1715 werd zij volgens het Barrière-tractaat tot de Barrièresteden gerekend en door de Nederlanders bezet. In 1746 bemagtigden de Franschen onder den graaf van Clermont de stad en het Fort, doch gaven beide bij den Vrede van Aken (1748) terug, waarna Josef II de vestingwerken (met uitzondering van de Citadél) deed sloopen, doch ook de Citadél werd in 1794 door de Franschen geslecht.

Na dien tijd werd de stad weder versterkt en in 1815 door de Franschen op hun terugtogt na den slag van Belle Alliance bezet. Eene bestorming der Pruissen werd afgeslagen en deze konden haar eerst na den aftogt der Franschen in bezit nemen. Na 1816 werd zij op nieuw versterkt, doch sedert 1866 zijn hare vestingwerken, met uitzondering van de Citadel, wederom gesloopt.